|
|
De schrijfplankset van Ruth'En Ruth, de Moabitische, zei tot Naomi: Laat mij naar het veld gaan en aren lezen achter hem die mij genegen zal zijn. En zij zei: Ga, mijn dochter!' Ruth 2:2 Ruth was een volwassen vrouw, laten we zeggen rond de 35 jaar. Waarom zei ze niet tegen Naomi: 'Vandaag ga ik aren lezen op het veld achter wie mij genegen zal zijn.'? Nee, zij zegt: 'Laat mij naar het veld gaan ...' Het lijkt erop of zij toestemming vraagt aan haar oude schoonmoeder Naomi om aren te gaan lezen. Hoe zit dat? In de Israëlitische dorpsgemeenschap van Bethlehem kende de meeste mensen elkaar. Het was een oude gewoonte dat armen in de oogsttijd achter de maaiers liepen om op de grond achter gebleven aren te rapen voor eigen gebruik. Maar een vreemdelinge uit Moab kon zich niet zomaar mengen onder de Israëlitische dorpsbewoners. Ruth had een identificatie nodig om kenbaar te maken dat zij als schoondochter van Naomi was ingelijfd in Israël. Toen Ruth de vraag stelde: 'Laat mij naar het veld gaan ...', schreef zij die ook op haar wasplank, die ze aan Naomi gaf. Naomi op haar beurt zette haar goedkeuring eronder en bekrachtigde die met haar familiezegel erbij. Daarmee had Ruth voor de oogsttijd in Bethlehem een identificatiemiddel bij iedere landeigenaar om op zijn veld te komen. (Documentatievorm : identificatiemiddel) Het leek een nadeel voor Ruth om haar schrijfplankset mee te moeten nemen, maar het bracht haar onverwacht veel voordeel. Toen de eigenaar op het veld kwam waar zij bezig was, kwam die na met de opzichter gesproken te hebben op haar af. Meteen hield zij haar identifatiemiddel gereed. Boaz nam de schrijfplank aan en bekeek die, maar in plaats van die terug te geven, begon hij er iets op te schrijven, terwijl hij zei: 'Hoor eens, mijn dochter, ga niet oplezen in een ander veld en ga ook niet hiervandaan; sluit je aan bij mijn arbeidsters ...' (vs. 8-9) Op de schrijfplank schreef Boaz enkele voorrechten voor Ruth: Ze was altijd welkom op zijn land, ze mocht werken bij zijn arbeidsters, ze mocht gaan drinken bij de vaten. Op haar schrijfplank had Ruth nu niet alleen een identificatie gedurenden de oogsttijd, maar ook het privilege van een vaste plek waar zij altijd kon komen rapen. (Documentatievorm: privilege of voorrecht) Deze gang van zaken maakte Ruth blij, maar verbaasde haar ook en zij wilde weten waarom Boaz zo handelde. Daarom opende zij een nieuw gesprek op haar schrijfplank met de vraag: 'Waarom betoont u mij uw gunst dat u uw oog slaat op mij, hoewel ik een vreemdelinge ben?' Zij zal wel de achterkant van de plank gebruikt hebben hiervoor want deze vraag had niets te maken met haar identificatie en de ontvangen privileges. (Documentatievorm: onderhandse communicatie) In de hierop volgende schrijfplankdicussie maakte Boaz duidelijk dat hij bewondering had voor de zorg die Ruth opbracht voor haar schoonmoeder. (vs. 11-12) De schrijfplankdiscussie eindigde met een uitnodiging: 'Kom hierheen en eet van het brood en doop het in de wijn.' (vs. 14) Zo kon Ruth kennis maken met de knechten en de arbeidsters van Boaz. Een andere documentatievorm in deze geschiedenis is: standaardzinnen. Toen Boaz het veld opkwam, groette hij met: 'De HERE zij met u!'. Ongetwijfeld was dit de standaardgroet waarmee Boaz altijd zijn mensen begroette en waaruit zijn profetische natuur sprak. Hij was ervan doordrongen: Als mijn mensen delen in de genade van God, dan gaat het goed met ze. Dat was primair voor hem belangrijk als werkgever en zijn arbeiders waardeerden dat ook. Zij wisten dat dit bij Boaz geen loze formule was en dus was hun antwoord: 'De HERE zegene u!' Toen later een profetische schrijver een verslag maakte, konden daarin deze ongeschreven zinnen direct opgenomen worden. Behalve de schrijfplankset van Ruth was er een andere schrijfset die een rol heeft gespeeld. Mogelijk was het die van de opzichter waarop hij opdrachten ontving voor het werk. Mogelijk was het die van Boaz waarop hij opdrachten vastlegde die hij gegeven had. Op deze schrijfplankset kwam een kort gesprek tussen Boaz en de opzichter over Boaz' vraag wie die onbekende vrouw was op zijn land (vs. 6-7, documentatievorm: onderhandse communicatie). Later legde Boaz daarop zijn opdracht vast aan de knechten om Ruth ter wille te zijn. (vs. 15-16, documentatievorm: opdracht, taakgeving) De klassieke leer van de inspiratie van de Heilige Schrift door de Heilige Geest is een fantastisch leerstuk van het christelijk geloof. Maar de koppeling daaraan dat de Heilige Schrift veel later is opgetekend door een wonderlijke werking van de Heilige Geest na een lange mondelinge overlevering verdient het om ernstig betwijfeld te worden. Waarom is men er in al die eeuwen die achter ons liggen niet toe overgegaan om de inspiratie van de Heilige Geest zoals die werkte in de beschreven gebeurtenissen in rekening te brengen bij de tot standkoming van de Heilige Schrift? Is dat niet veel inspirerender voor ons? B.J.E. van Noort |
|