|
|
Documentatie en het oude testament'Wanneer hij [de koning] nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust ... om te leren de HERE, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen [optekeningen] naarstig te onderhouden, ... opdat hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, ...' Deut. 17:18-20
In een eerder artikel hebben we gezien dat het nieuwe testament onderwijst dat Gods Woorden in de schepping en vervolgens werden opgetekend door hoorders. Het zou wel heel vreemd zijn als we daarvan niets terug zouden vinden in het oude testament. In dit artikel zullen we erop ingaan dat er een uitgebreid begrippenapparaat bestaat in het oude testament van Abraham tot Maleachi dat van documentatie getuigenis aflegt. Het gaat om woordcombinaties als:
(1) 'geboden, optekeningen en onderwijzingen', bijvoorbeeld Gen. 26:5 Het woord 'optekening' is hier gebruikt waar Statenvertaling en NBG 51 het woord 'inzetting' gebruiken. Wie in een woordenboek kijkt om de betekenis van het woord 'inzetting' op te zoeken, kan daar zien staan: bijbels begrip, zonder een verklarende betekenis van het woord. Vaak komt het helemaal niet voor in een woordenboek. In de tijd toen de Statenvertaling werd gemaakt, wist men niet goed raad met het Hebreeuwse woord 'chook' of 'choeka' en men creëerde het vertaalwoord 'inzetting'. Het gevolg was dat er nooit een duidelijk begrip is ontstaan van de betekenis van het woord 'inzetting', hoewel het in de bijbel een kernwoord is. In de NBV is het verschillende malen vertaald met 'voorschrift' en dat komt dichter bij de betekenis. De vertaling behoort gewoon 'optekening' te zijn. Het Hebreeuwse woord 'chook, choeka' komt van het werkwoord 'chakak' en dat betekent 'optekenen, inkrassen'. In de Septuaginta, de oude Griekse vertaling van het oude testament, is het consequent met 'schrijven' vertaald. 'Choekot' zijn gewoon 'optekeningen' (Lexicon Koehler Baumgartner 1953 geeft als grondbetekenis: schriftlich Festgelegtes ). (1,2) 'Geboden, optekeningen en onderwijzingen', 'geboden, optekeningen en verordeningen'. Het gaat bij deze woordcombinaties steeds om drie aspecten van één en dezelfde zaak. Geboden worden tot optekeningen en daarmee zijn het onderwijzingen (torot) geworden. Of de optekeningen zijn tot verordeningen (mispatiem) geworden. Wanneer zijn die geboden belangrijk om onderwezen te worden, of om als verordeningen te gelden? Zodra ze zijn gegeven en dus gaat het om onmiddellijke optekening. Dat is de eenvoudige bedoeling van deze woordcombinaties. Hetzelfde geldt voor de andere uitdrukkingen met 'inzettingen'. (3,4,5) 'Optekeningen en verordeningen', 'optekeningen en geboden', 'getuigenissen en optekeningen'. Nu gaat het om twee aspecten van één zaak. Op het moment van optekening is de verordening, het gebod geldig. Dus het woord optekening verwijst naar het moment dat een bepaling ingaat. En dat is ook het moment dat de verordening of het gebod wordt uitgesproken. Met de woorden 'chook, choeka' (optekening) wordt expliciet de optekening aangeduid op het moment van regelgeving. Dit komt zo vaak voor dat we moeten zeggen: In de Tora liggen documentatie-aanduidingen voor het oprapen. In de NBV hebben de vertalers geen rekening gehouden met de bedoelingen van de hiervoor besproken woordcombinaties. Waar ze voorkomen is het opvallend hoe hulpeloos de NBV-vertalers naar passende woordbetekenissen zochten om er iets van te maken. Het is ook vreemd. Vanwaar dat gebruik van twee of drie soortgelijke woorden achter elkaar zoals: wetten, regels, bepalingen, voorschriften, geboden? Dat dit meervoudig gebruik een manier was om het belang ervan te benadrukken, voldoet niet omdat het steeds God is van wie die regels komen. Alsof Gods naam niet voldoende gewicht in de schaal zou werpen om het belang van een zaak aan te geven? Nee, ze geven steeds ook het documentatie-aspect aan. Tenslotte verdient de terminologie 'blijvende optekening' onze aandacht. Er zijn een groot aantal 'optekeningen' die 'eeuwig' worden genoemd (altoosdurende inzettingen). Vooral diensten in de tabernakel zoals het deel van het offer dat voor de priester bestemd was, de wassing van de priesters voor hun dienstwerk, de vuuroffers door de priesters, enzovoort. Toch kan het hier onmogelijk gaan om altijd durende instellingen (gebruiken, gewoontes, tradities of iets dergelijks). De offerdienst is nu zo'n 2000 jaar gestopt en zolang zijn deze diensten niet meer uitgevoerd. Moeten we dan zeggen dat de Tora op al deze punten is achterhaald, omdat het geen blijvende inzettingen zijn gebleken? Natuurlijk niet, we moeten gewoon vertalen wat er hoort te staan: blijvende optekening(en). Dat is de woordbetekenis. Indrukwekkend wordt het wanneer we horen dat Mozes heel de Wet in één context aanduidt als: wet, gebod en optekeningen. (Deut. 17:18-20, zie boven) Hij reserveerde de kwaliteit van documentatie niet voor de woorden die God tot hem gesproken had, maar hij paste die kwaliteit toe op heel de Tora. De scheppingsberichten tot en met Genesis 50 bezitten de kwaliteit van documentatie. Via de aartsvaders moeten geschriften met de verslagen hierover zijn overgeleverd. (Gen. 26:5) Daarom gebruikte Mozes Genesis 1-50 probleemloos als het indrukwekkend voorspel van de woestijntocht (Exodus tot en met Deuteronomium). Gedurende heel de tijd van het oude testament zijn de profeten zich bewust geweest van de documentatie-achtergrond van de Tora. Totaan het eind van het oude testament is dit besef er geweest, zoals Maleachi zei: 'Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, optekeningen en verordeningen.' (Mal. 4:4) Zo nauwkeurig als Mozes hebben ook de profeten na hem hun boodschappen aan ons nagelaten. B.J.E. van Noort |
|