Teologia

Documentatie-exegese, onmisbare schakel in de Evangelische Theologie.

'En in die dagen stond Petrus op onder de broeders - en er was een groep van ongeveer honderdtwintig personen bijeen - en hij sprak: 'Mannen broeders, het schriftwoord moest in vervulling gaan dat de Heilige Geest voorheen bij monde van David gesproken heeft aangaande Judas die de gids is geweest van hen die Jezus gevangen namen; ...' Hand. 1:15-16

In het laatste nummer van het kwartaaltijdschrift 'Soteria' (2005) staat er een bespreking door Drs. G. van den Brink van het boek 'Judas and the Choice of Matthias. A Study on Context and Concern of Acts 1:15-26' van Dr. A.W. Zwiep. Beide theologen hebben een respectabele staat van dienst opgebouwd met hun werk aan de commentarenreeks van de Studiebijbel op het nieuwe testament (en op het oude testament in wording) en hun jarenlange onderwijs aan evangelische instituten. In het boek van Zwiep worden er elf verzen onderzocht die gaan over de verkiezing van de twaalfde apostel Matthias in de plaats van Judas.

Uit de bespreking door Van den Brink blijkt welk verschil van inzicht er bestaat tussen beide onderzoekers als het gaat over de authenticiteit van de bijbeltekst. Zwiep is van mening dat de bewoording van Petrus' rede echt Lucaans is, dat wil zeggen het zijn niet Petrus' woorden, maar die van Lucas; met dien verstande dat ze de bedoeling weergeven van Petrus' oorspronkelijke rede. Ook betoogt Zwiep dat de voorwaarden waaraan een apostel moet voldoen (vs. 21-22) niet door Petrus zijn genoemd, maar door Lucas in de rede zijn ingevoerd. Tenslotte meent hij ook dat het gebed (vs. 24-25) voorafgaande aan de loting van Matthias door Lucas is ingevoegd. Authenticiteit betekent voor Zwiep dat de elf verzen van onderzoek authentiek van Lucas afkomstig zijn, maar niet dat alles zo gebeurd is als het er staat.

Voor Van den Brink gaat de authenticiteit verder. Voor hem betekent eveneens dat de rede van Petrus later in de bewoording van Lucas is weergegeven. Maar Van den Brink is het oneens met Zwieps opvatting dat de gestelde voorwaarden en het gebed later door Lucas zouden zijn ingevoerd (niet oorspronkelijk zijn). Authenticiteit voor Van den Brink betekent dat de elf verzen authentiek van Lucas zijn, maar ook dat de daarin beschreven gebeurtenissen authentiek zijn. Van den Brink noemt dit zelf 'Heilshistorische exegese'; de bijbelschrijvers herinnerden zich later onder de leiding van Gods Geest wat er gebeurd was, waardoor de gebeurtenissen betrouwbaar zijn weergegeven. ('God openbaart zich in een proces van gebeurtenissen en hun interpretaties.' www.studiebijbel.nl Zie het slot van het artikel: 'Het gezag van de Schrift', G. van den Brink, 2003)

Documentatie-exegese gaat nog een stap verder. Authenticiteit betekent hierin dat de rede Petrinisch is, dat de woorden van Petrus zijn bewaard (dus ook de voorwaarden voor het apostelschap) en dat het gebed voor de loting zo is uitgesproken als weergegeven. Er zijn dus drie betekenissen voor authenticiteit in het geding: authenthiek Lucaans (alle woorden van Lucas, maar niet alle gebeurtenissen echt gebeurd: Zwiep); authentiek Lucaans (alle woorden van Lucas en alle gebeurtenissen echt gebeurd: Van den Brink); authentiek Petrinisch (de woorden van Petrus' rede zijn van Petrus, alle gebeurtenissen echt gebeurd: Van Noort).

De drie methodes van onderzoek concentreren zich elk rond een Leitmotiv of kerngedachte. In Zwieps methode is dat het woord 'traditiegeschiedenis'. Hij gaat ervan uit dat verschillende verhalen binnen de (mondelinge) traditie de ronde gingen doen en dat Lucas daaruit geput heeft. Door het gedachtengoed en het woordgebruik in de passage van Handelingen tot op het bot te onderzoeken meent hij vast te kunnen stellen wat er echt gebeurd is en wat niet. In Van den Brinks methode staat het woord 'heilshistorie' centraal. Het gaat in de Schrift om historieën van het heil en juist dat heil waarborgde de betrouwbaarheid van de herinnering en van Lucas' werk. Het kan hierbij gaan om Lucas' herinnering of om die van anderen. In de derde methode staat het woord 'documentatiedynamiek' centraal. Uitspraken werden gewoonlijk vastgelegd tijdens de gebeurtenissen en kort daarop verwerkt in werkverslagen. Daardoor zijn heilsgebeurtenissen bewaard met daarin de uitspraken van de mensen en ook veel details als observaties van de schrijvers. (Over alle ins en outs van deze benadering, zie 'De Vastheid van het gesproken Woord', B.J.E. van Noort, 2004)

De documentatie-exegese heeft een voordeel op beide andere benaderingen. Kort voor zijn dood, zo vertelt Lucas ons (21:33), had Jezus nog gezegd: 'De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.' Wat betekende dit voor Lucas zelf als schrijver? Dat hij de woorden van Jezus zelf doorgaf in zijn evangelie. Dat is de eenvoudige conclusie die men in de evangelische benadering van de Schrift altijd heeft getrokken. Daaraan gekoppeld is de volgende stap: wanneer Lucas Jezus' eigen woorden heeft weergegeven in zijn evangelie, zal hij diezelfde werkwijze gevolgd hebben in zijn tweede boek Handelingen der apostelen. Als Lucas in Handelingen niet nauwkeurig de echte woorden heeft weergegeven in de redevoeringen van de sprekers, is natuurlijk ook niet vol te houden dat Lucas in zijn evangelie dat wel gedaan zou hebben met Jezus' woorden. Maar daarmee is de kous niet af. Het zou naïf zijn om te menen dat er in de intellectuele top van de evangelische beweging wereldwijd ook zo gedacht werd. De eminente geleerde I.H. Marshall zegt in zijn commentaar op het boek Handelingen: '... dat Lucas kon en ook werkelijk passende opmerkingen componeerde voor de sprekers en dat we hem onrecht aandoen als we van hem woordelijke verslagen verwachten in iedere redevoering.' (Tyndale New Testament Commentaries, Acts, 1988 repr., p. 42) Kortom, het lijkt erop dat voor dit tot op heden onopgeloste raadsel de documentatietheorie een passend antwoord biedt: in Petrus' rede van Handelingen 1:16 e.v. hebben we de woorden van Petrus voor ons. De schrijvers die daarvoor gewend waren om Jezus' woorden vast te leggen, deden dat nu met Petrus' woorden.

Hoe gaat men in de verschillende benaderingen om met de details van de beschrijving? We zullen één voorbeeld bekijken: Hoe stierf Judas? Door verhanging (Matth. 27:5) of door een val (Hand. 1:18)? Hierover wordt in de eerder genoemde bespreking in het tijdschrift 'Soteria' niet uitgeweid, maar het is zeker interessant om er aandacht aan te besteden binnen dit kader.

In een traditiegeschiedenisonderzoek valt het te verwachten dat men aanneemt dat er twee verschillende berichten over Judas' dood de ronde gingen doen en men gaat dan onderzoeken welke van de twee het meest juist de feiten weergeeft. Dat betekent dat gesuggereerd wordt dat òf Mattheüs òf Lucas in Handelingen een onjuiste voorstelling van zaken geeft. Het is ook mogelijk dat de onderzoeker niet kan beslissen welke van de twee berichten de juiste is, maar de suggestie dat er één niet klopt, blijft staan.
In het heilshistorisch onderzoek zal men verschil in berichtgeving erkennen, maar er niet zoveel aandacht aan geven omdat het een bijzaak is in de herinnering en niet het centrale heil. Meestal wordt er aangenomen dat het touw of de tak brak (zo al Augustinus), waardoor Judas een val maakte bij zijn dood. Maar dit is niet helemaal voldoende omdat Mattheüs Judas' levenseinde beschrijft en dan onvolledig is zonder de dodelijke val te noemen.
Volgens de documentatietheorie gaat het om twee verschillende details die beide van belang zijn. Judas' val was nà zijn dood en mag daarmee niet worden geïdentificeerd, het gaat om twee observaties van twee gebeurtenissen. Zijn lichaam moest geborgen worden vóór de sabbat en mogelijk kon dit niet anders dan door het lichaam los te snijden waardoor het viel. De val kan ook veroorzaakt zijn door de latere aardbeving waardoor rotsen scheurden en gingen schuiven. (Matth. 27:51) In elk geval zijn zowel Mattheüs als Lucas nauwkeurig in hun berichtgeving.

In de beginselverklaring van de Evangelische Alliantie wordt het evangelisch standpunt verwoord met betrekking tot de visie op de Schrift: '... de goddelijke inspiratie van de Heilige Schrift en daaruit voortvloeiend haar betrouwbaarheid en hoogste gezag in alle zaken van geloof en leven; er is geen dwaling in al wat zij verklaart.' Hierin wordt ongetwijfeld een eenvoudige evangelische opvatting verwoord zoals die niet leeft in de intellectuele top van de beweging, of die in deze top anders wordt geínterpreteerd dan men zou verwachten. Het is niet mijn bedoeling om twijfel te zaaien over de integriteit van evangelische geleerden die al hun tijd en denkkracht wijden aan de uitleg van de Bijbel. Het is wel mijn bedoeling om de kloof onder woorden te brengen die er mijns inziens bestaat tussen het intellectuele leiderschap en de beweging zelf. We zouden onze ogen daar niet voor moeten sluiten en evenmin voor het inzicht dat de documentatie-exegese wel eens de ontbrekende schakel zou kunnen zijn in de Evangelische Theologie.

B.J.E. van Noort