|
Teologia
Hoe antisemitisch is het Johannesevangelie?
'De Joden antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft zichzelf
Gods zoon gemaakt.'
Johannes 19:7
Het kruis staat centraal
De kruisiging is een onderwerp dat zeer be- en weersproken is. Enerzijds is dit de gebeurtenis waar het
hart van het christelijk geloof klopt in Jezus' offerdood, anderzijds is dit ook de gebeurtenis die zoveel
weerstand in de geschiedenis heeft opgeroepen. Te denken valt aan het leed de Joden aangedaan met de
beschuldiging dat zij Jezus vermoord hebben, en ook de stromingen in het christendom die de offerdood van
Jezus ontkennen en Jezus' dood tot een 'edele daad' willen terugbrengen. Dit laatste wil ik niet aan de orde
stellen, maar wel in het kort de situatie van de Joden omdat 'de Joden' in de tekst hierboven genoemd zijn.
De brede betekenis van het woord 'Jood'
De eerste betekenis van 'Ioudaios' in het Romeinse rijk was 'Jood': iemand van het Joodse volk en behorend tot
het Joodse geloof. Deze betekenis gold vooral buiten het Joodse land in het Romeinse rijk. Dus, toen Pilatus
Jezus noemde 'Koning der Joden' gebruikte hij als Romein ongetwijfeld de brede betekenis van het woord: Koning
over Judeeërs en Galileeërs. Wanneer we het Johannesevangelie lezen met steeds deze brede betekenis in ons
hoofd, krijgen we toch wel een heel eng gevoel. De Joden als Godsmoordenaars, bijvoorbeeld: 'De Joden antwoordden
hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven ...' (Joh. 19:7) En zo is dit evangelie veel te vaak in
de geschiedenis gelezen.
De smalle betekenis van het woord 'Judeeër'
We mogen niet in de valkuil lopen van de geschiedenis met betrekking tot de schuld van 'de Joden' in Jezus' dood.
Het is evident dat 'de Joden' in Jezus' tijd Jezus niet gekruisigd hebben, ook al lijken de evangeliën dat wel te
zeggen. Het woord Ioudaios moet niet vertaald worden met 'Jood' maar met 'Judeeër'. Dat is voortdurend het geval
in het Johannesevangelie. Daarin staat 'Judeeër' tegenover 'Galileeër'. Dat begint al in de proloog van dit
evangelie. 'Hij kwam tot het zijne en de zijnen hebben hem niet aangenomen ...' Jezus kwam naar Judea en de
Judeeërs, zijn eigen stamgenoten; maar in Judea was hij niet welkom. Wanneer we in heel het Johannesevangelie
het woord 'Judeeërs' lezen voor 'Joden', ontdekken we voortdurend de verbazing van de apostel Johannes over de
Judeeërs die met de tempel veel meer gezegend leken te zijn dan de Galileeërs in het noorden, en dat juist zij
toch maar niet de werken van Jezus wilden begrijpen en erkennen. Antisemitisme speelt daarin geen enkele rol.
De woorden 'Judeeër'en Galileeër' niet antisemitisch
Want ook in diezelfde proloog lezen we: 'Onder ons heeft hij gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd ...' In dit
vers gaat het over Galilea en de Galileeërs, waar Jezus ongehinderd zijn werk heeft gedaan. De betekenis hiervan is dat
'Judeeër' niet exclusief religieus was, omdat ook de Galileeërs tot datzelfde geloof behoorden. Terwijl de brede betekenis
van 'Jood' wel exclusief religieus was (van het Joodse geloof). Wanneer we lezen: 'De Judeeërs (in tegenstelling tot de
Galileeërs) antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven ...' dan wordt de smalle betekenis duidelijk,
zoals die voortdurend in het Johannesevangelie moet worden genomen.
Het Johannesevangelie niet antisemitisch maar de theologie
De Nieuwtestamentische Wetenschap heeft het Johannesevangelie tot een antisemitisch boek gemaakt. Het heeft al
vele eeuwen bepaald dat dit evangelie geschreven zou zijn in ca. 95 n.Chr. Wat betekent dat? Wel in die tijd,
lang na de verwoesting van de tempel, was de smalle betekenis (Judeeër) verdwenen; de tegenstelling tussen
Judeeërs en Galileeërs uit de tijd van de tweede tempel was weg. Alleen de brede betekenis existeerde nog:
Jood was iemand van het volk van de Joden en behorend tot de Joodse religie. Zo hebben de kerkvaders het
Johannesevangelie gelezen zonder zich te bekommeren om het antisemitisme dat zij daarmee verspreidden. Ja,
zij hebben dat zelfs actief voedsel gegeven, wat grote verschrikkingen tot gevolg heeft gehad voor het
Joodse volk in de Middeleeuwen.
De vanouds antisemitische smet op het Johannesevangelie zou de theologen tot bezinning moeten brengen, omdat
de apostel Johannes natuurlijk nooit tegen zijn eigen volk heeft geschreven. Men zou dan inzien dat niet alleen
dit gegeven, maar ook vele andere overtuigend aantonen dat dit evangelie veel eerder is geschreven, dan men
altijd maar klakkeloos aanneemt. Er moet gelezen worden: 'De Judeeërs (in tegenstelling tot de Galileeërs)
antwoordden hem: Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven ...' (Joh. 19:7) Dat ziet er natuurlijk
heel anders uit, er is hier geen sprake meer van 'een universele wens van de Joden' om Jezus te doden.
Vroege datering van het Johannesevangelie verandert alles
In mijn boek 'De vastheid van het gesproken Woord'
heb ik betoogd dat
het Johannesevangelie geschreven is in de eerste christelijke gemeente van Jeruzalem, omstreeks het jaar 30. Voor
deze datering is uitgegaan van wat diezelfde Johannes zegt in zijn eerste brief: 'En deze dingen schrijven wij
opdat uw blijdschap volkomen zij.' (1:4) Johannes spreekt hier over de schrijfwerkzaamheid van de apostelen bij
de prediking van het evangelie. Mondeling en schriftelijk hebben zij van meet af aan het evangelie gebracht.
Bij de aanvaarding van het evangelie gebeurden twee dingen: de mensen ontvingen volkomen blijdschap, maar zij kregen daarbij
ook altijd schriftelijke documenten in handen. Dit laatste is schandelijk verwaarloosd in de Nieuwtestamentische theologie.
Het gaat om heuse evangelieboeken omdat zij de inhoud van het leven van Jezus moesten doorgeven om hem te doen kennen. De
vraag is niet: Hoe antisemitisch is het Johannesevangelie? De vraag is: Hoe antisemitisch is de theologie die men kiest om
het Johanesevangelie te dateren?
B.J.E. van Noort
|