Teologia

Het geheim van Jezus Semitische uitspraken

Intro
En Hij vatte de hand van het kind en zei tot haar: 'Talitha koem!' hetgeen betekent: Meisje, Ik zeg je, sta op! Marcus 5:41

... en stak zijn vingers in zijn oren, spuwde, raakte zijn tong aan en Hij zag op naar de hemel en zuchtte en zei tot hem: 'Effatha!' dat is: Word geopend! Marcus 7:33-34

En op het negende uur riep Jezus met luide stem: Eloï, Eloï, lema sabachthani?' hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten? Marcus 15:34

Het probleem
In het artikel 'De Aramese mythe' is naar voren gebracht dat Jezus geen Aramees gesproken heeft. Daarin is duidelijk gemaakt dat als dat wel zo zou zijn, we eerlijk moeten toegeven dat de christenheid niet in het bezit is van Jezus' woorden. De Aramese theorie is andersgezegd te zwaarwegend om zo maar te laten passeren. Daarom laat ik in aanvulling op het vorige artikel over dit onderwerp een bespreking volgen over de Semitische uitspraken van Jezus die algemeen worden beschouwd als Aramese uitspraken. Zij zouden het tastbare bewijs vormen dat Jezus Aramees sprak.

Er komen veel Aramese woorden voor in het nieuwe testament. Enkele voorbeelden zijn: Abba (vader); Bar (zoon) en allerlei samenstellingen hiervan: Barabbas, Bartholomeüs, Barjona, Barnabas, Bartimaeüs; Beelzebul; Bethesda (huis van genade); Bethsaida (waarschijnlijk: huis van visserij); Boanerges; Gabbatha; Golgotha (schedelplaats); Cefas (rots); Mamona (Mammon); Martha (meesteres); Messias (gezalfde; Aram. Mesjiach; Hebr. Masjiach); Pascha (Pasen; Hebr: Pèsach); Rabboeni (mijn meester).

De noodzaak van een sluitende argumentatie
De veelheid van Aramese woorden in de evangeliën heeft tot de bijna algemene overtuiging geleid dat Jezus in een Aramese context leefde en werkte en dus Aramees gesproken heeft. Echter een veelheid van leenwoorden is onvoldoende voor zo'n conclusie. Daarvoor is heel wat meer nodig, namelijk een sluitende argumentatie en die is er tot op vandaag niet geleverd. Ik ben van mening dat voor de aanvaarding van zo'n belangrijke stelling dat Jezus Aramees zou hebben gesproken een sluitende argumentatie een absolute voorwaarde is.

Daarbij komt dat er voor de stelling dat Jezus géén Aramees gesproken heeft mijns inziens wel een sluitende argumentatie is. Heel in het kort komt die hierop neer. De Semitische uitspraken van de Heer moeten naar hun werkwoordsvormen beoordeeld worden of ze Hebreeuws of Aramees zijn. Want werkwoordsvormen worden niet van de ene in de andere taal overgenomen bij leenwoordgebruik. Als de werkwoordsvormen in Jezus' Semitische uitspraken Aramees zijn, dan alleen is de conclusie gewettigd dat Jezus Aramees heeft gesproken. Daarom laten we hier een bespreking van Jezus' Semitische uitspraken volgen.

Talitha koem(i)!
'Talitha koem(i)!' Marc. 5:41 - 'Meisje, sta op!' kan zowel Hebreeuws als Aramees zijn. In beide talen is de vrouwelijke vorm 'koemi', terwijl in beide talen de mannelijke vorm 'koem' is. Beide vormen bestonden al vroeg naast elkaar. Origenes (gestorven 254 ten gevolge van de vervolgingen onder keizer Decius) gaf het commentaar dat 'koemi' de voorkeur had omdat het de vrouwelijke vorm is. In drie vroege manuscripten van de vierde en vijfde eeuw is de mannelijke vorm te vinden; daarna heeft de meerderheid van honderden manuscripten de vrouwelijke vorm. Er is geen duidelijke verklaring hoe de vorm 'koem' erin gekomen is, want het is grammaticaal zowel voor het Aramees als voor het Hebreeuws het meest aannemelijk dat de vrouwelijke vorm 'koemi' oorspronkelijk is. Omdat beide vormen (de vrouwelijke en de mannelijke) in het Hebreeuws en het Aramees gelijk zijn, valt er uit deze uitspraak van Jezus niets te leren over de moedertaal van Jezus.

Effatha!
'Effatha!' Marc. 7:34 - 'Word open!' Dit is Hebreeuws volgens het boekje. De Nifal-vorm van de gebiedende wijs (Hebreeuws) is Hiffatha. In transcriptie naar Grieks wordt 'Hi' tot 'E', dus Effatha. Deze transcriptie is ook te vinden in Geënna (Gehenna in onze vertalingen) uit: Gehinna(m) (Aramees), of in Ezekia uit Hizkia (Hebreeuws). Er zijn twee vormen die in aanmerking komen voor een Aramees gebiedende wijs namelijk 'Effetha' ( Ithpe'el ) en 'Effattha' (Ithpa'al). Beide zijn te verschillend van Effatha, dat een standaard Hebreeuwse vorm representeert.

Eloï, Eloï, lema sabachthani?
'Eloï, Eloï, lema sabachthani?' Marc. 15:34 - 'Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?' In Matth. 27:46 'Eli, Eli, lema sabachthani?' De verschillen tussen de aanspreekvormen Eloï en Eli kan eenvoudig verklaard worden uit de aanwijzing van Mattheüs dat Jezus riep omstreeks, tegen, het negende uur en de aanwijzing van Marcus dat Jezus riep op het negende uur. Met andere woorden Jezus riep dit twee maal, vandaar de kleine verschillen tussen de beide uitroepen. De werkwoordsvorm waarom het gaat, is: 'Je hebt mij verlaten.' In beide talen zou sebachthani te verwachten zijn (Hebr. Qal plus suffix en Aram. Pe'al plus suffix). Nu is het zo dat de Hebreeuwse vorm zonder achtervoegsel -ni de vorm sabachtha oplevert, terwijl de Aramese vorm zonder achtervoegsel -ni de vorm sebachtha geeft. De vorm sabachthani, die Mattheüs en Marcus beide bieden, heeft dus betere papieren voor Hebreeuws dan voor Aramees.

Hebreeuwse taalstructuur
De conclusie is dat twee van de drie werkwoordsvormen in Jezus' Semitische uitspraken verwijzen naar de Hebreeuwse taalstructuur, omdat werkwoordsvormen nu eenmaal niet van de ene uit de andere taal overgenomen worden zoals leenwoorden. Aramese leenwoorden in Jezus Semitische uitspraken zijn dan: Talitha (meisje), lema (waarom; hoewel dat ook in het Hebreeuws voorkomt), sabach (verlaten). Als Hebreeuwse woorden kunnen aangemerkt worden: Eli (mijn God), Eloï (mijn God; het wordt algemeen als enkelvoud van Elohim opgevat), koem (opstaan), fatach (openen). Er kan geen andere slotconclusie getrokken worden dan: Jezus heeft af en toe een Arameïserend Hebreeuws gesproken.

Twee heilige talen worden één
Het verschijnsel van de overvloed van Aramese leenwoorden in de evangeliën is volkomen logisch. (1) Door de ballingschap was het Joodse volk in Babel geweest dat Aramees sprekend was en vandaar nam men veel Aramese woorden mee terug naar Judea. (2) Er was na de ballingschap een bloeiende Joodse gemeenschap gebleven in Babel en er bestond een levendig contact tussen beide Joodse gemeenschappen in Judea en Babel. Ongetwijfeld was daardoor de opname van nieuwe Aramese woorden in het Hebreeuws een voortgaand proces. (3) Last but not least was door het bijbels Aramees in de bijbelboeken Daniël en Ezra de Aramese taal tot tweede heilige taal geworden. Dit betekende een positieve noodzaak om het Aramees te bewaren net als het Hebreeuws. Uit onze observaties kan worden afgeleid dat dit gebeurde door veel Aramese woorden actief te incorporeren in het bestaande Hebreeuws, de eerste heilige taal. Door de grote overeenkomst tussen beide talen gebeurde dit moeiteloos.

De christenen zijn in het bezit van Jezus' oorspronkelijke woorden
Het Arameïserend Hebreeuws dat in Jezus' dagen gesproken werd in Israël, was vooral bedoeld om de wetskennis, de kennis van wet en profeten, in stand te houden. In huiselijke kring van vrome families werd daarom Hebreeuws gesproken, terwijl in meer liberale families dit werd losgelaten. Door velen werd nog Hebreeuws gesproken in Judea, maar allang niet meer in Galilea. Het werd niet voor niets als een wonder ervaren tijdens de Pinksterdag dat men Galileeërs in de specifieke taal van Judea hoorde spreken. Dat was Arameïserend Hebreeuws. Algemeen werd er Grieks gesproken in het Joodse land. De taal van de Grieken wordt niet genoemd bij het taalwonder van Pinksteren, wel de taal van de Romeinen en van de Judeeërs (Hand. 2:9-10). Deze drie talen sprak men in Israël, want die worden genoemd op het kruisopschrift. Grieks was dus de taal die men in Galilea sprak. Bovendien bestond het grootste deel van de eerste christenen in Jeruzalem uit Grieks sprekenden, terwijl een hogere sociale laag van deze gemeente uit Hebreeuws sprekenden bestond, zoals valt te leren uit Handelingen 6:1-2. Daar Jezus tot de schare sprak, tot de menigte, deed hij dat ongetwijfeld in hun taal: Grieks. Dat is de taal waarin de evangeliën ons zijn geschonken. Er kan dus geen sprake van zijn dat Jezus in zijn onderwijs Aramees sprak met de uiterst bedenkelijke implicatie dat de christenen Jezus' woorden niet zouden bezitten.

Kerend tij
Met groot enthousiasme is aan het eind van de negentiende eeuw door theologen de studie van het Aramees begonnen met betrekking tot het nieuwe testament. Natuurlijk hebben de theologen met hun claim dat Jezus Aramees zou hebben gesproken nooit opzettelijk beoogd om het christendom te ruïneren. Anderzijds hadden zij en velen na hen zich wel eens mogen afvragen waar de grenzen lagen van hun aspiraties. Omdat zij dit hebben nagelaten, is het hoog tijd dat die grenzen alsnog worden getrokken. Zoals de voorstanders van de Aramese theorie Jezus' Semitische uitspraken voortdurend hebben aangehaald ten gunste van hun opvatting, zo is nu de tijd aangebroken voor de tegenstanders van deze theorie om die uitspraken aan te halen als bewijs dat (1) Jezus nooit Aramees heeft gesproken tot de menigte en dat (2) zijn onderwijs in het Grieks nog steeds te vinden is in de vier evangeliën.

B.J.E. van Noort