Teologia

Jezus als Heer van het oude testament

'In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden ...' Joh. 1:1-3

'... de openbaring van het geheim, eeuwenlang verzwegen, maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid [door] het geloof bekendgemaakt onder alle volken ...' Rom. 16:26

Wie luistert naar iemand, doet eigenlijk twee dingen tegelijk: luisteren naar de woorden en naar de spreker. Toen God sprak in de schepping, gebeurde er ook twee dingen. Hij bracht zijn woord naar buiten en ook zichzelf deelde hij daarin mee. Johannes verklaart in de voorrede van zijn evangelie dat het door God gesproken woord niet minder dan Jezus zelf was. Want even verder zegt hij: 'Het Woord is vlees (mens) geworden en het heeft onder ons gewoond ...' (1:14) Johannes noemde Jezus 'het Woord'. Hij was het door God gesproken Woord in de schepping. Ronduit onthutsend is dan: '... en het Woord was God.'.

De Theological Dictionary of the New Testament III,92 zegt: 'Theos [God] wordt niet beperkt tot de God en Vader van Jezus Christus. Het wordt af en toe ook toegepast op Jezus zelf. (Joh. 1:1, 20:28 enz.)' Er worden in de evangeliën veel signalen gegeven over Jezus' godheid, maar het vreemde is dat we van Jezus zelf niet horen 'Ik ben God'. Hij handelde wel als zodanig: Hij vergaf zonden, Hij liet toe dat mensen voor hem knielden. Hij deed uitspraken als: De zoon des mensen is Heer over de sabbat. Dat kan je alleen zeggen als je de sabbat geschapen hebt. Hij deed de Ik-ben-uitspraken (het water des levens, het licht der wereld, het brood des levens, de weg, de waarheid, het leven). Hij zei: Eer Abraham was, ben Ik. Jezus werd wel steeds 'heer' (kurios) genoemd tijdens zijn aardse bediening, maar dit beoogde niet noodzakelijk de betekenis van 'God. De meester van een knecht werd ook 'heer' (kurios) genoemd. Achteraf horen we in de evangeliën bij het woord 'kurios' voor Jezus de profetische verwijzing naar 'Here', 'de Heer'. Titels als Christus, zoon van God, zoon van de Allerhoogste, zoon van de Gezegende worden in de evangeliën op Jezus toegepast en door hem erkend. Jezus' tegenstanders zeiden: U stelt uzelf aan God gelijk. Zij zeiden niet: U noemt uzelf God. Hoe komt het dat Jezus dit niet deed? Dit kan verschillende redenen gehad hebben en twee schijnen er voor de hand te liggen. (1) Jezus beperkte zich tot zijn roeping om God te openbaren in het menselijk vlees, in zijn leefwijze. (2) Hij sprak ook namens zijn Vader; spreken namens eenander maakt bescheiden en bescheidenheid siert de mens.

En dan is daar de apostel Johannes die zomaar zijn evangelie opent met: '... en het Woord (Jezus) was God.' Was Johannes hiertoe gekomen nadat Thomas van Jezus gezegd had: 'Mijn Here en mijn God!'? (Joh. 20:28) Jezus had deze uitspraak van Thomas niet ontkend of bijgestuurd, dus erkende hij de juistheid ervan. Nog veertig dagen sprak de Heer met zijn leerlingen na zijn verrijzenis over alles wat met het Koninkrijk van God te maken had. (Hand. 1:3) Mede door deze gesprekken moet het aan Johannes duidelijk geworden zijn hoe universeel Jezus' majesteit was en dat zelfs al vóór de schepping. Johannes 1:1-18 is ongetwijfeld neerslag van wat er die veertig dagen uitgewisseld is tussen Jezus en zijn leerlingen. Door de kracht van de uitgestorte Heilige Geest moet het Johannes mogelijk geweest zijn om vrijmoedig en vol overtuiging met de Godheid van Jezus zijn evangelie te openen, hoe schokkend dit ook geweest moet zijn voor de Joodse cultuur waarin hij leefde.

Voor Saulus was de claim van Jezus' Godheid stellig de reden om de christenen te vervolgen. Maar later zegt hij als apostel dat ook hem dit geheim door openbaring was bekend geworden: '... dat mij door openbaring het geheim bekend gemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef.' (Ef. 3:3; en Ef. 1:3 enz.) Paulus maakte niet Jezus' wonderen mee waar de evangeliën vol van staan en ook niet de veertig dagen waarin de opgestane Heer zijn leerlingen zijn slotonderricht gaf. Hij maakte wel een verschrikkelijk moment mee toen de Heer hem verscheen en hij uitriep 'Wie bent u Heer?', waarop het antwoord kwam 'Ik ben Jezus, die jij vervolgt ...!'. (Hand. 9:5) Vanaf dat moment wist ook Paulus dat Jezus 'Heer' (des hemels) was, ook aan hem was het door buitengewone openbaring bekend geworden, hoe pijnlijk het moment ook was. Later schrijft Paulus aan de Colossenzen over Jezus: '... alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen; en Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in hem; ...' (Col. 1:16-17) Dat was eigenlijk de gedachte waarmee Johannes zijn evangelie had geopend en die hij als farizeeër zo verfoeid had.

De apostelen geloofden dat een goddelijk geheim in hun tijd openbaar was geworden. Jezus was de Messias als HEER VANAF HET BEGIN VAN DE SCHEPPING, als het Woord van God. Wanneer de profeten vroeger spraken, spraken zij hem uit. Zij beseften het zelf niet. Wanneer de mensen Gods stem hoorden, hoorden zij hem: '... want zij dronken uit een geestelijke rots die met hen meeging en die rots was de Christus.' (1 Cor. 10:4) De bekendmaking van dit geheim zoals Paulus het noemde was bovendien niet alleen voor het Joodse volk, maar bestemd voor alle volken: '... de openbaring van het geheim, eeuwenlang verzwegen, maar thans geopenbaard en door profetische schriften volgens bevel van de eeuwige God tot bewerking van gehoorzaamheid [door] het geloof bekendgemaakt onder alle volken ...' (Rom. 16:26)

Voor Paulus waren de boeken van het oude testament van vergelijkbare kwaliteit als de evangeliën. Daarin sprak de Messias evengoed als in de evangeliën die hij al kende (zie: De vastheid van het gesproken Woord, pag. 238). Het citeren van de profeten, als woord van God, was gebruikelijk in de Joodse cultuur. Maar Paulus citeerde de profeten tegelijk als het direct gesproken woord van de Messias, want Hij was het Woord vanaf het paradijs. Voor Paulus was het overduidelijk dat de oudtestamentische boeken op dezelfde wijze tot stand gekomen waren als de evangeliën: door snelschrijvers. Zoals het wordt gezegd in Hebreeën (2:3-4): '... een heil dat toen het aanvang nam om gesproken te worden door de Here door de horenden voor ons werd vastgesteld terwijl God mede getuigenis daaraan gaf door tekenen en wonderen en velerlei krachten en uitdelingen van de Heilige Geest naar zijn wil' (woord-voor-woord vertaling)

Conclusie. We staan bij het oude en nieuwe testament voor een magistraal bouwwerk. Velen werden vanaf de schepping ingezet om Gods woord op te tekenen zoals het gesproken was. Tot op vandaag vormen deze woorden Gods grootse openbaring aan de mensheid in de verkondiging van Jezus als Heer.

B.J.E. van Noort