Teologia

Welk boek vond Hilkia in de tempel?

'En de hogepriester Hilkia zei tot de schrijver Safan: "Ik heb het wetboek gevonden in het huis des HEREN."' 2 Kon. 22:8

Het is in de theologie geen geheim dat er heel verschillende antwoorden worden gegeven op de vraag welk boek Hilkia nu eigenlijk vond in de tempel ten tijde van Josia's regering. Zeer velen menen dat het ging om het bijbelboek Deuteronomium. Anderen menen dat het misschien een groter deel van de Tora (de wet) was, want Deuteronomium alleen is wel wat mager als Hilkia spreekt van 'het wetboek'. In een orthodox commentaar als de Korte Verklaring wordt er rekening gehouden met Deuteronomium en de Pentateuch wordt als mogelijkheid niet helemaal uitgesloten. De conservatieve R.K. Harrison zegt in zijn indrukwekkende Introduction to the Old Testament dat het onmogelijk de Tora geweest kan zijn (p. 805). Bovendien houden zowel Harrison als de Korte Verklaring het erop dat de Tora zijn definitieve vorm heeft gekregen in de tijd van koning Saul en David, dus lang na Mozes.

Het boek dat Hilkia vond, wordt in de bijbel op verschillende manieren benoemd. Hier volgen die benoemingen: Het wetboek (2 Kon 22:8, 11, 2 Kron. 34:15); Het boek des verbonds dat in het huis des HEREN gevonden was (2 Kon. 23:2, 2 Kron. 34:30); Het boek van de wet des HEREN gegeven door Mozes (2 Kron. 34:14): De wet (2 Kron. 34:19). Deze bijbelse berichten zijn unaniem en eenduidig. Het gaat om: een wetboek. Het was gegeven door Mozes. En er zijn niet verschillende boeken door Mozes gegeven zodat het een vraag zou zijn om welk boek van Mozes het ging. Het is 'Het wetboek van Mozes', andere wetboeken van Mozes bestonden er niet. Er is maar één normale conclusie mogelijk: het gaat over de Tora.

Kon Hilkia zeker weten dat het gevonden boek door Mozes was gegeven? Jawel. Jozua, Mozes' opvolger, moest het wetboek van Mozes al goed overdenken om te slagen in het leven. (Joz. 1:8, 22:5, 23:6) Toen bestond de Tora al volgens de bijbel. Maar er is meer. Toen Jozua zijn roeping vervuld had, deed hij iets bijzonders. Hij liet de leiders van het volk bij zich komen en hield een indringende toespraak tot hen. Dat legde hij vast in een bijschrift in ... HET WETBOEK VAN GOD. (Joz. 24:26) Daarmee was het wetboek van Mozes zoals hij het had gegeven nog door Jozua gemarkeerd door een bijschrift van hem. Hilkia kon er absoluut van overtuigd zijn dat hij het oorspronkelijke boek van Mozes had gevonden in de tempel en geen kopie, onder andere door dat bijschrift van Jozua.

Dit alles gebeurde toen Josia koning was. Uit deze geschiedenis blijkt dat noch in de tempel noch in het paleis een afschrift van de wet van Mozes bekend was. Josia's grootvader, Manasse, had heel lang een waar schrikbewind gevoerd. In zijn tijd zal de koninklijke kopie (Deut. 17:14-20) vernietigd zijn en kopieën onder het volk zullen ook verzameld en verbrand zijn. Dat moet de aanleiding geweest zijn voor een trouwe priester om het priesterlijk origineel in de tempel zo ver weg te stoppen om het te verbergen dat later niemand meer wist waar het was.

Voor de vondst door Hilkia zullen rechters, priesters, bestuurders en anderen voornamelijk gebruik gemaakt hebben van gedeelten uit de Tora die hun ter beschikking stonden. Daardoor kende Josia voor de vondst natuurlijk niet de ernstige waarschuwingen die in de Tora staan. In profetische kringen zullen ongetwijfeld kopieën bestaan hebben van de Tora voor de vondst. Het is mogelijk dat koning Josia geen contacten had met profetische kringen en daardoor niet op de hoogte was van de Tora in hun bezit. Het is ook mogelijk dat die contacten er wel waren, maar dat profeten de koning niet op de hoogte brachten van hun kostbare rollen in de veronderstelling dat een koninklijke kopie in het paleis en het priesterlijk origineel in de tempel was.

Koning Josia was al begonnen met de eredienst te herstellen en vreemde goden te verwijderen voordat de Torarol door Hilkia was gevonden (2 Kron. 34:3), maar na de vondst zette Josia dat werk nog krachtiger door. Ook stelde hij in dat er voorgelezen werd uit de hervonden Tora (uit een kopie uiteraard). We moeten er daarbij aan denken dat tijdens zijn regering dagelijks op vaste momenten in de tempel in het openbaar werd voorgelezen uit de Tora zodat ieder in staat was om van de inhoud kennis te nemen. Nadat hij dat ingesteld had (2 Kon. 23 :2) 'sloot hij een verbond' en 'het gehele volk trad tot het verbond toe'. Het lijkt er helemaal op dat Josia het voorbeeld volgde van Jozua volgens het bijschrift bij de wet van Mozes. Dat ging ook over 'een verbond met het volk'. (Joz. 24:25)

Heeft de apostel Johannes zich vergist toen hij zei: 'De wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen.'? (Joh. 1:17) Of vergissen al de theologen zich die in koor beweren dat Mozes niet de uitgever was van de Tora? De vraag stellen is haar beantwoorden.

B.J.E. van Noort