Teologia

Hebreeuws, een oude eenheidstaal

''... Want gestolen ben ik uit het land van de Hebreeën.' (Gen. 40:15)

Waarom zei Jozef tegen de schenker toen deze weer naar Farao terugkeerde na zijn verblijf in de gevangenis dat hij afkomstig was uit het land van de Hebreeën? Jozef vroeg de schenker om hem niet te vergeten en om een goed woord voor hem te doen bij Farao: 'Want gestolen ben ik uit het land van de Hebreeën.' Wat was de meerwaarde van de kwalificatie dat hij afkomstig was uit het land van de Hebreeën?

Afgezien van de meerwaarde, Jozef kon met deze uitspraak niet verwijzen naar zijn eigen familie: Jacob, zijn zonen en de knechten. Zelfs als hij de familie van Esau erbij rekende, was dat een veel te kleine groep om te verwijzen naar 'het land van de Hebreeën'. Wanneer we de geschiedenis van Abraham en Izaäk lezen, dan komen zij in Kanaän in aanraking met allerlei volken, maar de Hebreeën worden daaronder niet genoemd. Er worden in Genesis 15:19-21 tien volken opgesomd waaronder: Kanaänieten, Ferezieten, Amorieten en andere, maar de Hebreeën ontbreken in het rijtje.

De namen van verschillende koningen die Abraham en Izaäk ontmoetten, brengen meer licht in de zaak. Het gaat bijna zonder uitzondering om Hebreeuwse namen. Hier volgen de namen van de koningen die in de Abrahamgeschiedenis genoemd worden met hun Hebreeuwse betekenissen. Koning van Sodom: Bera, geschenk (14:2); koning van Gomorra: Birsa, fors, sterk (14:2); koning van Adama: Sineab, mijn vader is Sin (14:3); koning van Zeboïm: Semeber, machtige naam (14:2). De Amorieten Mamre (vettigheid, levenskracht) en Eskol (druif) in 14:13. De koning van Salem: Melchizedek, koning van gerechtigheid (14:18). De Filistijnse koning Abimelech, mijn vader is koning (Gen 20:2) en zijn adviseur Pikol, aller mond. De Hethiet Efron, jonge ree (23:8). Ook in de Isaäkgeschiedenis worden er namen genoemd van Filistijnen, Kanaänieten, Hethieten en Hevieten die duidelijk Hebreeuws zijn.

Voor dit verschijnsel is slechts één verklaring die ook algemeen wordt gevolgd: oud-Hebreeuws was de eenheidstaal die door verschillende stammen in Kanaän gesproken werd. Ook Jesaja wist hiervan: 'Te dien dage zullen er vijf steden in het land Egypte zijn, die de taal van Kanaän spreken en die bij de HERE der heerscharen zweren...' (Jes. 19:18). Het kan niet uitgesloten worden dat er dialecten bestonden, maar Hebreeuws werd door iedereen in Kanaän gesproken. Dat is opmerkelijk want veel van de hiervoor genoemde stammen waren geen nakomelingen van Heber, zoals Filistijnen en Kanaänieten zoals Hethieten, Amorieten, Hevieten (Gen. 10).

Om dit te begijrpen is het van belang om rekening te houden met het verhaal van de torenbouw van Babel, waar we lezen: 'Toen zij oostwaarts trokken vonden zij een vlakte in het land Sinear, waar zij zich vestigden.' Men neemt aan: het tegenwoordige Irak. Dan vervolgt de geschiedenis hoe de talen verward werden en de volken verstrooid werden over de aarde (Gen. 11:2 enz.). De spraakverwarring begon in Babel en niet in alle delen van het midden-Oosten tegelijk, in elk geval niet in het westen waar Kanaän lag. Het is een interessante gedachte dat bij de volken in Kanaän nog lang 'vrees voor God' bestond en ook een gemeenschappelijke taal die daar als het ware bij hoorde. Dat was de meerwaarde die Jozef aangaf met de woorden: 'Want gestolen ben ik uit het land van de Hebreeën.' Daarmee onderstreepte hij zijn onschuld. Hij bedoelde: Ik kom uit een land waar Hebreeuws gesproken wordt en waar God gediend wordt. Het is goed mogelijk dat dit Hebreeuws ook in Egypte nog bij velen bekend was toen Jozef voor Farao stond en mogelijk kon hij daarin met Farao te communiceren. Vooral omdat deze Farao gevoelig bleek voor het geloofsgetuigenis van Jozef, want hij zei: 'Zouden wij iemand kunnen vinden als deze, een man in wie de geest van God is?' (Gen. 41:38)

Nog heel lang na de aartsvaders heeft het Hebreeuws de functie van eenheidstaal gehad, hoewel de Kanaänieten steeds minder gingen voldoen aan Gods voorschriften. Toen David de Filistijn Goliath tegemoet trad en hem aansprak, deed hij dat ongetwijfeld zonder gebuikmaking van een tolk (elfde eeuw v. Chr.). De taal van de gevonden Mesasteen uit Moab (negende eeuw v. Chr.) kan vrijwel geheel als Hebreeuws gekwalificeerd worden. Voor een juist begrip van de oudste bijbelse geschiedenissen is dit een bealngrijk inzicht. Profetische schrijvers die ook toen al werkzaam waren, konden in veel gevallen het gesproken woord direkt, zonder vertaling, opnemen in hun verslagen doordat velen de eenheidstaal van het Hebreeuws kenden en gebruikten.

B.J.E. van Noort