Teologia

Ezra en de Canon van het Oude Testament

'Op grond van dit alles sluiten wij een vast verbond en stellen het op schrift, en onze oversten, onze Levieten, onze priesters zetten hun zegel eronder.'
Nehemia 9:38

Dramatische paradox
Het is een dramatische paradox in de christelijke traditie van de laatste eeuwen dat het Oude en Nieuwe Testament als een vaste canon in gebruik zijn onder alle christenen, maar dat in de theologie, de intellectuele bovenlaag van het christendom, deze canon zwaar omstreden is. Daarom zullen we het in dit artikel hebben over de canon van het Oude Testament.

Huidige stand van zaken in de theologie
Liberale theologische positie: de canonafsluiting van het Oude Testament wordt zo laat in de geschiedenis geplaatst dat men toen onmogelijk meer kon weten of de boeken nog authentiek waren of niet. Deze canontheorie van het Oude Testament gaat dus terug op een menselijk voorkeursbesluit en daarmee is het Oude Testament een menselijk boek geworden en van zijn goddelijk gezag beroofd.
Orthodoxe theologische positie: de canonafsluiting van het Oude Testament wordt veel eerder in de geschiedenis geplaatst, maar zonder een overtuigend historisch moment of gezagsinstantie te noemen waaronder dit canonbesluit genomen werd. Bijgevolg worden er verschillende momenten in de geschiedenis voorgesteld. De afsluiting van het Oude Testament verdwijnt daarmee in het duister met het resultaat een dubieuze canon in plaats van een met goddelijk gezag bekleed heilig boek.

Verschillende orthodoxe posities
De finale opmerking van de conservatieve R.K. Harrison waarmee hij zijn discussie besluit over de Oudtestamentische canon is: 'Indien de theorieën van liberale auteurs die ervan uitgaan dat de canon [OT] werd afgesloten omstreeks 100 n. Chr., onaanvaardbaar zijn vanwege een veel te late datering, dan zijn de theorieën van conservatieve schrijvers die de afsluiting van de Oudtestamentische canon zouden willen plaatsen omstreeks 400 v. Chr., eveneens onwaarschijnlijk; eenvoudigweg omdat zo'n datum te vroeg schijnt te zijn. Rekening houdend met alle aspecten is het het meest waarschijnlijk dat de canon is afgesloten rond 300 v. Chr., ...' (Introduction to the Old Testament, 1969, repr. 1988, p. 287)
De orthodoxe auteur R. Beckwith gaat voor een canonafsluiting van het Oude Testament in circa 150 v. Chr.: '... dat de afsluiting van de canon veel eerder moet hebben plaatsgevonden dan men gewoonlijk veronderstelt - niet minder dan 250 jaar eerder dan de gewoonlijk aanvaarde datum van 90 n. Chr.' (The Old Testament Canon of the New Testament Church, 1985, p. 165)

Twee voorwaarden: historisch moment en gezagsinstantie
De geciteerde orthodoxe auteurs dateren geheel verschillend. Echter beide noemen zij geen historisch moment noch een gezaghebbende instantie waaronder de canonafsluiting zou hebben plaatsgevonden. In de geschiedenis van het Jodendom zou zo'n gebeurtenis zeker niet onopgemerkt gepasseerd zijn en om die reden alleen al zijn de standpunten van Harrison en Beckwith onmogelijk en dus ongeloofwaardig. Het orthodoxe Jodendom zelf dateert de afsluiting van het Oude Testament ten tijde van mannen van de 'Grote Synagoge'. Dat is ten tijde van Ezra en Nehemia. Dan is er inderdaad sprake van een historisch moment van canonvorming en een gezagsinstantie. 'Op grond van dit alles sluiten wij een vast verbond en stellen het op schrift, en onze oversten, onze Levieten, onze priesters zetten hun zegel eronder.' (Neh. 9:38)

Een verbond snijden
Voor het werkwoord 'verbond sluiten' is hier de standaardterm gebruikt 'snijden'. Normaal betekende het dat er offerdieren aan te pas kwamen om de vastheid van het verdrag te onderstrepen: wie zich niet zou houden aan zijn deel van de overeenkomst zou daarvoor met bloed betalen. Mogelijk betekende het ook dat er insnijdingen werden gedaan bij de twee partijen zodat er bloed vloeide bij de verbondssluiting (bijvoorbeeld 1 Sam. 20:16). Bij het sluiten van een verbond moet daarom altijd worden aangenomen dat beide partijen beschikten over een duidelijke set van schriftelijke voorwaarden en in de documentatietheorie is dat een probleemloos aspect van de zaak. Altijd wanneer het gaat om 'een verbond snijden' in het Oude Testament, is er ook een schriftelijk document. Dit schriftelijk aspect is vaak niet genoemd gezien de al definitieve betekenis van de term '(een verbond) snijden'.

Waar was Ezra?
Bij de verbondssluiting onder Nehemia zal ook Ezra aanwezig geweest zijn. Enkele weken daarvoor had Ezra nog met de bevolking van Jeruzalem het loofhuttenfeest gevierd. (Neh. 8) Het enthousiasme dat de bevolking getoond had voor de Wet van Mozes tijdens dat feest, moet de aanleiding geweest zijn voor de verbondssluiting enkele weken later. Het verbond kwam neer op de belofte om het openbare leven seculier en geestelijk in te richten volgens de wet van Mozes. '... al wie tot de jaren des onderscheids gekomen was, sloten zich aan bij hun broeders, hun voornaamsten, en verplichtten zich onder zelfvervloeking en onder ede, om te wandelen naar de wet van God, die door de dienst van Mozes, de knecht van God, gegeven was, en om naarstig te onderhouden al de geboden, verordeningen en inzettingen [optekeningen] van de HERE, onze Here.' (Neh. 10:28-29)

De reden dat Ezra's naam onder de verbondssluiting ontbreekt, moet gezocht worden in zijn positie boven de partijen. Hij was geen hogepriester, geen gouverneur, geen opperrechter. Door zijn positie boven de partijen was hij niet van partijen afhankelijk en kon hij in probleemsituaties aanspreekpunt blijven voor allen. Zijn mandaat van de Perzische koning bezorgde hem die onaantastbare positie in de organisatie van het Joodse volksleven. 'Gij nu Ezra, stel naar de wijsheid van uw God, die gij bezit, regeerders en rechters aan, opdat zij rechtspreken over het gehele volk dat in het gebied over de Rivier [de Jordaan] woont, over allen die de wetten van uw God kennen; en hem die ze niet kent, zult gij ze bekendmaken. Aan ieder die de wet van uw God en de wet van de koning niet volbrengt, zal stipt recht geoefend worden: hetzij ter dood, hetzij ter verbanning, hetzij tot geldboete of tot gevangenzetting.' (Ezr. 7:25-26)

Wet en profeten
Er is geen twijfel mogelijk dat de wet van Mozes behoorde tot de canon van Ezra en Nehemia. Maar hoe staat het met de profetenboeken? Daarvan was een aanzienlijk bestand van boeken. Het was niet strikt nodig om de profetenboeken te noemen bij de verbondssluiting van Nehemia omdat de wet van Mozes al de voorschriften bevatte om na te volgen en de profetenboeken waarschuwden wat er gebeuren zou als men zich daar niet aan hield. Hierin lag het belang van het werk van de profeten zoals blijkt uit de lange rede voorafgaande aan de verbondssluiting. We lezen daarin:
Neh. 9:26 ... en doodden hun profeten die hen vermaanden, om hen tot u te doen wederkeren.
Neh. 9:29 Gij vermaande hen om hen tot uw wet te doen wederkeren, ...
Neh. 9:30 ... en vermaande hen door uw Geest, door de dienst van uw profeten, maar zij gaven daaraan geen gehoor.
Neh. 9:34 ... hebben uw wet niet onderhouden en geen acht geslagen op uw geboden en op de vermaningen die Gij tot hen hebt gericht (woordelijk: waarmee Gij hen vermaand hebt.)
Hier wordt gesproken over de van God komende vermaningen door de profeten. Dat wil zeggen dat de profetenboeken die er waren in Ezra's tijd op hetzelfde hoge geestelijk niveau werden gesteld als de wet van Mozes. Dan is er zonder meer een canon beoogd in Nehemia 9 van wet en profeten, want 'Op grond van dit alles sluiten wij een vast verbond ...' Dit alles, dus ook de vermaningen van de profeten wogen zwaar in het verbond. Er is niet direct duidelijk uit het boek Nehemia welke boeken tot het profetenbestand hoorden. Maar dat levert geen groot probleem op. De doorwerking van deze beslissing in de geschiedenis heeft gezorgd voor duidelijkheid.

De canon van het Oude Testament
Behalve de canonvaststelling moeten we in ogenschouw nemen dat de canon van Ezra en Nehemia ook een praktische vaststelling genoot. De zelfvervloeking die gekoppeld was aan de verbondssluiting voor 'al wie tot de jaren des onderscheids gekomen was' (Neh. 10:28) impliceert dat ieder goed op de hoogte was of kon zijn van de inhoud van het gesloten verbond. In de synagogendiensten begon de geregelde voorlezing van wet en de profeten. Door deze bijkomstigheid vormden de profetenboeken een vast omlijnde groep boeken precies zoals we dat in het Nieuwe Testament steeds horen. Na Ezra en Nehemia was er geengezagsinstantie meer dieverandering kon aanbrengen in de te lezen boeken. De canon van het Oude Testament lag vast. Zo kwam door de verbondssluiting onder Ezra en Nehemia de canon van 39 Oudtestamentische boeken tot stand: de wet en de profeten.

Slotopmerkingen
Er zijn nog andere aspecten die te maken hebben met de canon van het Oude Testament. We noemen de volgende.
1. De boeken van 'de wet en de profeten' kregen een plaats in de tempelgebouwen. Zo was het oudtijds ook geweest. Leidinggevende profeten hadden bij hun leven hun boeken in de tempel ter bewaring gegeven. Daardoor kon men na de ballingschap met grote zekerheid vaststellen welke boeken behoorden tot 'de wet en de profeten'.
2. Alle Oudtestamentische bijbelboeken behoren een ontstaansdatering te krijgen die overeenstemt met de tijd van Ezra's werkzaamheid dus voor circa 435 v. Chr. Dit is van betekenis voor de boeken Maleachi, Kronieken en Daniël die dikwijls veel later dan Ezra worden gedateerd.
3. Er ontstond in de tijd van Ezra en Nehemia nog een liederencanon. In de tempel en synagogen werden weer de liederen gezongen uit de traditie die onder koning David was ontstaan. (Neh. 12:29,45-47) Dat waren veel meer liederen dan de 150 psalmen uit het boek Psalmen. Jezus noemde deze liederencanon in Luc. 24:44 in de opsomming 'de wet van Mozes en de profeten en de psalmen'. Deze liederencanon is verloren gegaan na 70 n. Chr. omdat de Farizeeën die het Jodendom na 70 hebben doen overleven, zich concentreerden op de boeken die werden voorgelezen in de synagogen.

In het artikel 'Het boek Daniël en de canon van het Oude Testament' komen nog meer aspecten van de Oudtestamentische canon aan de orde.

B.J.E. van Noort