Teologia

De vrouwen van Ezau.
Nog steeds een probleem?

a. 'Toen Esau veertig jaar oud geworden was, nam hij tot vrouw Judith, dochter van de Hethiet Beëri, en Basmath, dochter van de Hethiet Elon.' Gen. 26:34

b. '... ging hij naar Ismaël en nam zich bij zijn vrouwen Mahalath, de dochter van Ismaël, de zoon van Abraham, de zuster van Nebajoth tot vrouw.' Gen. 28:9

c. 'Esau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän, Ada, dochter van de Hethiet Elon, en Oholibama, dochter van Ana, [klein]dochter van de Heviet Zibeon, en Basmath, dochter van Ismaël, zuster van Nebajoth.' Gen. 36:2

In zijn boekje 'De bijbel recht doen' (Boekencentrum, 1999, p. 31) rangschikt B. Loonstra de namen van Esau's vrouwen onder de voorbeelden van ongerijmdheden bij een letterlijke opvatting van de bijbel. Hij meent uit dit voorbeeld en veel andere dat we niet letterlijk met de bijbel om moeten gaan. We kunnen niet zonder meer wat we in de bijbel lezen letterlijk in onze cultuur transponeren, zo meent hij (vrij samengevat). In dit laatste heeft hij gelijk, maar daarmee is het nog niet gepast om de letterlijkheid van de bijbel waar mogelijk in twijfel te trekken. De koninklijke weg is de betrouwbaarheid van de bijbel handhaven en door Gods Geest geleid worden bij het putten uit die bron voor het heden. Dat is het avontuur waar iedere christen voor staat.

Het is inderdaad nogal verschillend wat we lezen in de passages a en b vergeleken met c. In a en b worden de namen genoemd van Esau's vrouwen in het begin van zijn huwelijken. In c is er een sprong gemaakt, dit gedeelte komt uit een opsomming van Esau's nakomelingen en laat dus een veel later plaatje zien van Esau's huwelijken.

De vrouwen in a en b genoemd zijn:

  • Judith, dochter van Hethiet Beëri
  • Basmath, dochter van Hethiet Elon
  • Mahalath, dochter van Ismaël
De vrouwen in c genoemd zijn:
  • Ada, dochter van Hethiet Elon
  • Oholibama, dochter van Ana
  • Basmath, dochter van Ismaël

Oude uitleggers hebben het er altijd op gehouden dat hier sprake moet zijn van nieuwe naamgevingen, zoals er veel voorbeelden zijn te vinden in het boek Genesis. Abram wordt Abraham, Saraï wordt Sara, Jacob wordt Israël, Esau wordt Edom of Seïr. Flavius Josefus en Ibn Ezra beschouwden Basmath van Elon en Ada van Elon als één en dezelfde. Targoem Jonathan beschouwde Mahalath van Ismaël en Basmath van Ismaël als dezelfde. Latere uitleggers hebben steeds op nieuwe naamgevingen gewezen zonder echter een duidelijke samenhang aan te brengen.

Wanneer we de betekenissen van de namen bekijken, valt op dat Mahalath geen positieve naam is: zwakte, ziekte. Namen weerspiegelden vaak de geboortesituatie. Het zou betekenen dat Mahalaths moeder buitengewoon verzwakt was bij de geboorte en dat het kind daarom die naam kreeg. Natuurlijk zal zij snel een andere naam gekregen hebben met een positievere klank: Basmath, dat is 'welriekend', 'geurend'. Het schijnt een meer voorkomende naam te zijn geweest, teruggevonden in de cultuur van Horieten en Hevieten (Archer, Bible difficulties, p. 100). Toen Benjamin werd geboren, noemde Rachel hem vanwege de zware bevalling die voor haar zelfs dodelijk was: Ben-Oni, kind van mijn ongeluk. Jacob noemde hem direct Benjamin, gelukskind (Gen. 35:18). Iets dergelijks moet er met Mahalath gebeurd zijn.

Toen Mahalath die bekend stond als Basmath, in de harem van Esau kwam, lijkt het logisch dat er een oplossing gevonden werd voor twee dezelfde namen. De andere Basmath werd Ada genoemd. Dat betekent: 'schoonheid'. Met haar nieuwe naam was ook zij erop vooruitgegaan, want 'schoonheid' voor een vrouw is toch een stapje hoger dan 'geurende'.

Tenslotte resteren Judith en Oholibama. Wat is er met hen gebeurd? Het lijkt erop dat Judith (betekenis: de geprezene) vroeg gestorven is zonder kinderen na te laten. Kinderen van haar worden er niet genoemd in de latere lijst van Esau's nakomelingen. Oholibama betekent 'mijn tent is bij hen'. Het is niet na te gaan, maar het is mogelijk dat ook dit een tweede naam was, omdat zij als laatste echtgenoot van Esau toetrad tot zijn harem. Haar zonen worden genoemd onder Esau's nakomelingen.

De vraag die we ons zouden kunnen stellen is: 'Waarom heeft Mozes die de Tora aan het Joodse volk gaf, zulke onduidelijkheden doorgegeven?' Het antwoord moet tweeërlei zijn. In de eerste plaats heeft hij niet ingegrepen in de documenten die hem ter beschikking stonden. Dat wil zeggen hij had ongetwijfeld profetische documenten voor zich die ontstaan waren in de profetische overleveringstraditie van documenten die in het volk begonnen was bij de aartsvaders. In de tweede plaats moet het in zijn optiek geen onduidelijkheid geweest zijn. En dat is het ook niet; als we de naamsbetekenissen op ons in laten werken, zetten die ons op het spoor om het geheel te begrijpen.

B.J.E. van Noort