Teologia

De dood van Jezus

Er zijn in de vier evangeliën vier geheel verschillende berichten over Jezus' dood. De vier berichten over de dood van Jezus vormen een goede illustratie van de werkwijze van Jezus' schrijvers. De parallelle (synoptische) verslagen die men maakte tijdens Jezus' werk waren: onderwijsverslag, publiciteitsverslag en restverslag. Deze verslagen kwamen later respectievelijk in het evangelie van Mattheüs, van Lucas en van Marcus. Messiaanse verslagen kwamen in het Johannesevangelie.
Vanaf Jezus' arrestatie begint de berichtgeving van het Johannesevangelie parallel te lopen met die van de andere drie evangeliën. Na Jezus opstanding zijn weer parallelle verslagen gemaakt; over zijn lijden, dood en opstanding. En er kwamen nieuwe parallelle verslagen bij: Messiaanse verslagen.

We bekijken en bespreken de berichten over Jezus' sterven. Het valt op dat elk bericht opgebouwd is rond één uitspraak van Jezus als kernzin. De bedoeling van elke uitspraak vertelt ons telkens iets over de bedoeling van het verslag.

Mattheüs 27:46-50
46 Omstreeks het negende uur riep Jezus met luider stem, zeggende: Eli, Eli, lama sabachtani? Dat is: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
47 En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden: Hij roept Elia.
48 En terstond liep een van hen toe en nam een spons, drenkte die met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken.
49 Maar de anderen zeiden: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem te redden.
50 Jezus riep wederom met luider stem en gaf de geest.
51 En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, ...

Het onderwijsverslag van Mattheüs heeft de kernzin: 'Eli, Eli, lama sabachtani?' Dat is: 'Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?' Met de dubbele inleiding in vers 46 (twee werkwoorden van spreken; riep ... zeggende:) geeft Mattheüs aan dat er meer gezegd is. Het Marcusbericht lijkt hiermee overeen te stemmen, want daar heet het: 'Eloï, Eloï, lama sabachtani?' Hier is God anders aangesproken en dat geeft aan dat de roep nog eens geklonken heeft. De roep van Marcus is de tweede geweest: op het negende uur, terwijl die van Mattheüs er net voor was: tegen het negende uur of omstreeks het negende uur. (Zie verder voor de dubbele en enkele inleidingen De Vastheid van het Gesproken Woord, p. 119-124.)
Mattheüs stelt vaak in zijn onderwijsverslag het handelen van God centraal. Dat is ook hier het geval. De mensen vragen zich af of God zal ingrijpen op het laatste moment. Ook de leerlingen zullen deze hoop gehad hebben en dat zal voor de schrijvers ook aanleiding geweest zijn om tot het laatste door te gaan met hun schrijfwerk. Een reddend ingrijpen van God blijft uit, maar toch laat God zich niet onbetuigd. Als de dood zijn intrede doet, scheurt het voorhangsel. Dat is een werk van God. Hierna vermeldt Mattheüs trouwens ook nog dat de aarde beefde, de rotsen scheurden en de graven opengingen... Opvallend is daarom dat voor dit onderwijsverslag gekozen is voor Jezus' uitspraak dat hij van God verlaten was. Datzelfde onbeschrijflijke gevoel van verlatenheid moeten ook de leerlingen hebben gehad, ondanks die tekenen van God. Pas later, na de opstanding, kon Mattheüs door deze tekenen toegeven: De Vader was ook op Golgotha.

Marcus 15:34-38
34 En op het negende uur riep Jezus met luider stem: Eloï, Eloï, lama sabachtani, hetgeen betekent: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?
35 En sommige van de omstanders, dit horende, zeiden: Zie, Hij roept Elia.
36 En iemand liep toe, drenkte een spons met zure wijn, stak ze op een riet en gaf Hem te drinken, zeggende: Stil, laat ons zien, of Elia komt om Hem eraf te nemen.
37 En Jezus slaakte een luide kreet en gaf de geest.
38 En het voorhangsel van de tempel scheurde in tweeën van boven tot beneden.

In het restverslag van Marcus is de stipte tijdsaanduiding uniek: 'En op het negende uur riep Jezus met luider stem ...' Er moet een duidelijk tijdsignaal in Jeruzalem zijn geweest op de hele uren of op vaste offertijden. Marcus biedt het restverslag en omdat het de uitroep van Jezus als kernzin heeft die overeenkomt met die van Mattheüs, verloopt zijn verslag ook overeenkomstig het onderwijsverslag. Dezelfde schrijvers werkten aan de verslagen. Beide verslagen eindigen met het scheuren van het voorhangsel van de tempel. Meestal neemt men aan dat het om het voorhangsel gaat dat achterin de tempel het heiligste gedeelte afschermde. Toch is dit tot op heden geen uitgemaakte zaak. Evengoed kan het voorhangsel bedoeld zijn dat hing aan de voorkant van het tempelhuis wanneer overdag de grote deuren van het tempelhuis openstonden. (Strack-Billerbeck I, p. 1045 'Dus kunnen bij de vraag of in Matth. 27:51 het voorste voorhangsel of het achterste is bedoeld, slechts theologische gronden de door slag geven ...') Zoals Billerbeck neemt men meestal aan dat het achterste voorhangsel scheurde vanwege de hoge godsdienstige waarde ervan. In de documentatie-exegese is het scheuren van het voorste voorhangsel waarschijnlijker, zoals we zullen zien.

Lucas 23:45b-46
En het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor.
46 En Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest.

In het publiciteitsverslag van Lucas staat ook een woord van de Heer centraal: 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.' Dat was Jezus' laatste woord, want daarmee overleed hij, gaf hij de geest. Bij Lucas staan niet de werken van God centraal, maar Jezus als mens. Lucas is uiterst summier: het werd donker, het voorhangsel scheurde en Jezus geeft met luide stem zijn geest in Gods handen. Het aansprekende van dit korte verslag is dat Jezus in harmonie met God stierf. Bij Lucas wordt het scheuren van het voorhangsel vermeld vóór Jezus' sterven. Mattheüs, Marcus vermelden het na het sterven; dit wijst op de ervaring van gelijktijdigheid: het moment van Jezus' dood en het scheuren van het voorhangsel heeft men als een gelijktijdige gebeurtenis meegemaakt. Het was een observatie door de schrijvers van een publieke gebeurtenis en geen informatie die zij later uit tweede hand vernamen en verwerkten in hun verslagen. De schrijvers waren door Jezus aangesteld om getuigenis af te leggen van wat zij hoorden en zagen. Dat zou ervoor pleiten dat het voorhangsel aan de voorkant van de tempel scheurde, wat ongetwijfeld ontzetting en luid geroep gaf op het tempelplein in de verte. De roep van Jezus' laatste gebed werd dan daardoorheen gelijktijdig vernomen.
De theologische betekenis van het scheuren van het voorste voorhangsel wordt miskend. In de eerste plaats was het voor het Joodse geloof dat zocht naar wonderen en tekenen een dreun die decennia zijn nagalm moet hebben gehad. Wanneer de dood van Jezus ter sprake kwam, kon dat niet zonder de vermelding van het publiekelijk gelijktijdig scheuren van de tempelvoorhang. Dat was geen toeval geweest. In de tweede plaats mag niet onopgemerkt blijven dat de priesters na het scheuren van de voorhang noodgedwongen waren om de twee metershoge tempeldeuren overdag te sluiten. Gaat het te ver om hierin een symbolisch einde van tempel- en offerdienst te zien, toen Jezus stierf?

Johannes 19:28-30
28 Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden: Mij dorst!
29 Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond.
30 Toen Jezus dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij boog het hoofd en gaf de geest.

Het Messiaans verslag van Johannes laat iets zien van het Messiasschap van Jezus. Dat blijkt uit het kernwoord: 'Het is volbracht!' Zijn Messiaanse roeping had hij voltooid. Na de sabbathen, toen Jezus was opgestaan, werden de leerlingen de ogen geopend en zagen zij Jezus in zijn heerlijkheid. Toen begonnen zij te zien dat Jezus als de lijdende knecht zijn Messiaanse roeping had vervuld. Van dit grote wonder is het Johannesevangelie doordrenkt. Tenslotte is hier nog een schriftverwijzing naar die Messiaanse roeping in het woord: 'Mij dorst!' Hierop kreeg Jezus zure wijn te drinken. In Psalm 69 roept David (en dus overkwam dit ook de Zoon van David): 'Zij lieten mij in mijn dorst azijn drinken.' (vs. 22) Die zure wijn staat in deze psalm voor de dodelijke vernedering van de knecht van God. Maar deze psalm spreekt ook over verlossing: 'Ik zal de naam van God prijzen met een lied, Hem verheerlijken met een lofzang ...' (vs. 31)

Vier verslagen over Jezus' dood laten dezelfde gebeurtenis zien vanuit verschillend perspectief. Mattheüs en Marcus verraden het gevoel van ontluistering bij de mensen doordat emotioneel God afwezig leek te zijn in het gebeuren. Ongetwijfeld had Jezus het inzicht dat God aanwezig was, maar des te pijnlijker moet zijn beleving geweest om van God gescheiden te zijn door de zondenlast. Lucas laat zien hoe Jezus verzoend met God in vrede stierf, wat voor ieder mens de belofte inhoudt ook zo te mogen sterven. Johannes laat zien hoe de Heer door lijden heen zijn Messiaanse taak koninklijk volbracht. Deze drie belevingen werden compleet na de opstanding. Ook voor ons zijn ze belangrijk en onmisbaar. Hoe vaak herkennen ook wij God niet, terwijl hij nabij is. Wij weten maar al te goed dat wij pas mens worden wanneer wij zijn aanwezigheid beleven. Tenslotte zal ook geen gelovige een mate van Messiaans lijden kunnen ontlopen in de vervulling van zijn opdracht.

B.J.E. van Noort