|
|
De dood van Jezus
Er zijn in de vier evangeliën vier geheel verschillende berichten over Jezus' dood.
De vier berichten over de dood van Jezus vormen een goede illustratie van de werkwijze
van Jezus' schrijvers. De parallelle (synoptische) verslagen die men maakte tijdens
Jezus' werk waren: onderwijsverslag, publiciteitsverslag en restverslag. Deze verslagen
kwamen later respectievelijk in het evangelie van Mattheüs, van Lucas en van Marcus.
Messiaanse verslagen kwamen in het Johannesevangelie. We bekijken en bespreken de berichten over Jezus' sterven. Het valt op dat elk bericht opgebouwd is rond één uitspraak van Jezus als kernzin. De bedoeling van elke uitspraak vertelt ons telkens iets over de bedoeling van het verslag.
Mattheüs 27:46-50
Het onderwijsverslag van Mattheüs heeft de kernzin: 'Eli, Eli, lama sabachtani?' Dat is: 'Mijn God, mijn God,
waarom hebt Gij Mij verlaten?' Met de dubbele inleiding in vers 46 (twee werkwoorden van spreken; riep ... zeggende:)
geeft Mattheüs aan dat er meer gezegd is. Het Marcusbericht lijkt hiermee overeen te stemmen, want daar heet het:
'Eloï, Eloï, lama sabachtani?' Hier is God anders aangesproken en dat geeft aan dat de roep nog eens geklonken heeft.
De roep van Marcus is de tweede geweest: op het negende uur, terwijl die van Mattheüs er net voor was: tegen het
negende uur of omstreeks het negende uur. (Zie verder voor de dubbele en enkele inleidingen
De Vastheid van het Gesproken Woord, p. 119-124.)
Marcus 15:34-38 In het restverslag van Marcus is de stipte tijdsaanduiding uniek: 'En op het negende uur riep Jezus met luider stem ...' Er moet een duidelijk tijdsignaal in Jeruzalem zijn geweest op de hele uren of op vaste offertijden. Marcus biedt het restverslag en omdat het de uitroep van Jezus als kernzin heeft die overeenkomt met die van Mattheüs, verloopt zijn verslag ook overeenkomstig het onderwijsverslag. Dezelfde schrijvers werkten aan de verslagen. Beide verslagen eindigen met het scheuren van het voorhangsel van de tempel. Meestal neemt men aan dat het om het voorhangsel gaat dat achterin de tempel het heiligste gedeelte afschermde. Toch is dit tot op heden geen uitgemaakte zaak. Evengoed kan het voorhangsel bedoeld zijn dat hing aan de voorkant van het tempelhuis wanneer overdag de grote deuren van het tempelhuis openstonden. (Strack-Billerbeck I, p. 1045 'Dus kunnen bij de vraag of in Matth. 27:51 het voorste voorhangsel of het achterste is bedoeld, slechts theologische gronden de door slag geven ...') Zoals Billerbeck neemt men meestal aan dat het achterste voorhangsel scheurde vanwege de hoge godsdienstige waarde ervan. In de documentatie-exegese is het scheuren van het voorste voorhangsel waarschijnlijker, zoals we zullen zien.
Lucas 23:45b-46
In het publiciteitsverslag van Lucas staat ook een woord van de Heer centraal: 'Vader, in uw handen
beveel Ik mijn geest.' Dat was Jezus' laatste woord, want daarmee overleed hij, gaf hij de geest. Bij Lucas
staan niet de werken van God centraal, maar Jezus als mens. Lucas is uiterst summier: het werd donker, het
voorhangsel scheurde en Jezus geeft met luide stem zijn geest in Gods handen. Het aansprekende van dit korte
verslag is dat Jezus in harmonie met God stierf. Bij Lucas wordt het scheuren van het voorhangsel vermeld vóór
Jezus' sterven. Mattheüs, Marcus vermelden het na het sterven; dit wijst op de ervaring van gelijktijdigheid:
het moment van Jezus' dood en het scheuren van het voorhangsel heeft men als een gelijktijdige gebeurtenis
meegemaakt. Het was een observatie door de schrijvers van een publieke gebeurtenis en geen informatie die
zij later uit tweede hand vernamen en verwerkten in hun verslagen. De schrijvers waren door Jezus aangesteld
om getuigenis af te leggen van wat zij hoorden en zagen. Dat zou ervoor pleiten dat het voorhangsel aan de
voorkant van de tempel scheurde, wat ongetwijfeld ontzetting en luid geroep gaf op het tempelplein in de verte.
De roep van Jezus' laatste gebed werd dan daardoorheen gelijktijdig vernomen.
Johannes 19:28-30 Het Messiaans verslag van Johannes laat iets zien van het Messiasschap van Jezus. Dat blijkt uit het kernwoord: 'Het is volbracht!' Zijn Messiaanse roeping had hij voltooid. Na de sabbathen, toen Jezus was opgestaan, werden de leerlingen de ogen geopend en zagen zij Jezus in zijn heerlijkheid. Toen begonnen zij te zien dat Jezus als de lijdende knecht zijn Messiaanse roeping had vervuld. Van dit grote wonder is het Johannesevangelie doordrenkt. Tenslotte is hier nog een schriftverwijzing naar die Messiaanse roeping in het woord: 'Mij dorst!' Hierop kreeg Jezus zure wijn te drinken. In Psalm 69 roept David (en dus overkwam dit ook de Zoon van David): 'Zij lieten mij in mijn dorst azijn drinken.' (vs. 22) Die zure wijn staat in deze psalm voor de dodelijke vernedering van de knecht van God. Maar deze psalm spreekt ook over verlossing: 'Ik zal de naam van God prijzen met een lied, Hem verheerlijken met een lofzang ...' (vs. 31) Vier verslagen over Jezus' dood laten dezelfde gebeurtenis zien vanuit verschillend perspectief. Mattheüs en Marcus verraden het gevoel van ontluistering bij de mensen doordat emotioneel God afwezig leek te zijn in het gebeuren. Ongetwijfeld had Jezus het inzicht dat God aanwezig was, maar des te pijnlijker moet zijn beleving geweest om van God gescheiden te zijn door de zondenlast. Lucas laat zien hoe Jezus verzoend met God in vrede stierf, wat voor ieder mens de belofte inhoudt ook zo te mogen sterven. Johannes laat zien hoe de Heer door lijden heen zijn Messiaanse taak koninklijk volbracht. Deze drie belevingen werden compleet na de opstanding. Ook voor ons zijn ze belangrijk en onmisbaar. Hoe vaak herkennen ook wij God niet, terwijl hij nabij is. Wij weten maar al te goed dat wij pas mens worden wanneer wij zijn aanwezigheid beleven. Tenslotte zal ook geen gelovige een mate van Messiaans lijden kunnen ontlopen in de vervulling van zijn opdracht. B.J.E. van Noort |
|