Teologia

Dieptepunten in de oudtestamentische theologie I

'Voorts sprak God tot Mozes en zei tot hem: Ik ben de HERE. Ik ben aan Abraham, Isaäk en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met mijn naam HERE ben ik hun niet bekend geweest.
Exodus 6:2

De naam Jahweh bestond niet vóór Mozes?
In de zomer was ik enige tijd in Ghana en was ik in de gelegenheid een dag bij te wonen van de jaarlijkse predikantenconferentie van de Presbyterian Church of Ghana, die ongeveer een week duurde. In de middagpauze liep ieder buiten het schoolgebouw waar de conferentie gehouden werd en natuurlijk was er gelegenhied om boeken te kopen. Ze lagen keurig uitgestald op wat kleden op de grond. Natuurlijk bekeek ik de titels aandachtig en jawel daar lagen twee oudere boeken broederlijk naast elkaar. R. Bultmann's 'Theology of the New Testament' (1956) en 'Old Testament theology in outline' van W. Zimmerli (1978). Voor 40.000 cedies kocht ik het boek van Zimmerli, een koopje: ca. €4,=.

Het boek van Zimmerli gaat uit van bovenstaande tekst. Hij betoogt dat de naam Jahwe (HERE) voor Mozes' tijd niet bestond in Israël. Met de woestijntijd en de openbaring op de berg Sinaï zou de naam Jahwe geopenbaard zijn aan Israël. Vandaar dat hij zijn 'theologie' laat beginnen met het heilshandelen van God in de woestijn. Al de andere karaktereigenschappen van God worden gekoppeld aan allerlei gebeurtenissen uit de latere geschiedenis van Israël. Logisch, want de geschiedenis vóór de woestijntijd is maar erg vaag geworden door zijn uitgangspunt. Niet alleen werden de aartsvaderverhalen uit de tijd voor Mozes slechts mondeling overgeleverd, maar ook het godsbeeld lijkt in de tijd vóór Mozes incompleet te zijn zonder de naam Jahwe (HERE).

Vieze bijsmaak
Hoewel Zimmerli heel behartenswaardige dingen schrijft over de godsdienst van Oud-Israël, krijgt alles wel een vieze bijsmaak, want van Genesis 1 tot Exodus 6:2 wordt 88 maal de naam HERE gebezigd. Dat wekt op zijn zachtst gezegd de indruk dat vanaf het begin van Genisis 1 de naam van God (Jahwe) bekend was. Bijvoorbeeld ten tijde van Seth lezen we: Toen begon men de naam van de HERE aan te roepen. (Genesis 4:26) Hoewel de boodschap van Zimmerli positief bijbels klinkt, stuurt hij daarin iets mee wat heel negatief is. In de Genesisverhalen worden er dingen gezegd die dan toch nooit gezegd kunnen zijn, zoals: 'Waarom lacht Sara daar en zegt: Zal ik werkelijk baren, terwijl ik oud geworden ben? Zou voor de HERE iets te wonderlijk zijn?' (Genesis 18:13-14) Dit zou nooit gezegd kunnen zijn door God volgens Zimmerli en natuurlijk zwijgt hij daarover, maar het is wel de onvermijdelijke consequentie van zijn stelling.

Gods Woord overruled
Eigenlijk is het hoofdpijn verwekkend dat Zimmerli zo mooi over de HERE kan spreken, maar impliciet zo negatief over Gods Woord. In elk geval is zijn theologie niet serieus te nemen, daar die Gods Woord volkomen overrulet. Er wordt immers gesuggereerd dat profeten lang na Mozes verantwoordelijk waren voor allerlei ingrepen in de Torah, 88 maal zouden zij de naam Jahwe daarin achteraf hebben ingevoerd. Ja, dan is meteen de vraag: Wat hebben ze nog meer ingevoerd? Mooie boel is dat, alsof profeten zo met Gods Woord zouden zijn omgegaan. Dat is precies het omgekeerde wat we uit het Oude Testament leren, we leren daar dat profeten Gods Woord angstvallig bewaarden en het niet veranderden: 'Mijn verbond zal ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is.'

Een fundament van niks
In het artikel 'De scheppingsberichten als trendsetters' heb ik al betoogd dat het onmogelijk is om de naam Jahwe los te koppelen van het spreken over God, omdat het ondenkbaar is dat God geen naam zou hebben. Wanneer men de scheppingsverhalen afwijst om intellectuele redenen, kan men toch niet om het bestaan van de naam Jahwe heen in de aartsvadersgeschiedenissen omdat God zonder naam ondenkbaar is in de antieke oudheid. Die naam Jahwe was er absoluut voor Exodus 6:3.

Daarbij komt dat de vertaling van Exodus 6:2 gewoon een verkeerde middeleeuwse vertaling is, voortgekomen uit een verkeerde vertaling van de Vulgaat (405 n. Chr.). De Hebreeuwse en de Griekse tekst (Septuaginta) die Hieronymus ongetwijfeld tot zijn beschikking had bij zijn vertaling van de Vulgaat kunnen beide uitstekend gelezen worden als: '... en (i.p.v. maar) ben ik hun met mijn naam HERE niet bekend geweest?' In oude teksten wordt een vragende zin nu eenmaal niet kenbaar door een vraagteken aan het eind van de zin, die kende men niet. Het Hebreeuwse woord 'lo' (niet) kan gebruikt worden in een ontkennende vraag waarbij de context dit noodzakelijk maakt (Koehler-Baumgartner 1953/58: s.v. 10). Bijvoorbeeld: '... dat men een mens in zijn rechtszaak verongelijkt, zou de Here dat niet zien?' (Klaagliederen 3:36) Onjuist zou zijn om te vertalen: ''... dat men een mens in zijn rechtszaak verongelijkt, zou de Here niet zien.'

De reformator Calvijn volgde ook de vertaling van de Vulgaat en hij merkte in zijn commentaar op Exodus 6:2 kort op dat hier Gods naam voor het eerst bekend werd gemaakt. Dat een man als Calvijn nog vastzat aan middeleeuws erfgoed, mag hem vergeven worden, maar dat moderne theologen daaraan nog vastzitten, is meer dan treurig. Daarbij komt dat zij anders dan Calvijn een hele theologie op één onduidelijk vers baseren. Kortom een fundament van niets.

Theologische wending na W.O.II
Na W.O.II had er een verandering plaats in de theologie, vooral in de Duitse. Bestond er vóór W.O.II nog een enorme tegenstelling tussen de klassieke Lutherse en de radicaal-kritische bijbelbeschouwing, na W.O. II begon men de Evangelische theologie te verbinden met de bijbelbeschouwing van de radicale bijbelkritiek. Daarvoor was dat onmogelijk: men was óf piëtistisch óf bijbelkritisch. Na W.O.II verdween deze tegenstelling gelijdelijk. Een evolutionistisch beeld van Israëls godsdienst (product van de radicale theologie) trachtte men te combineren met de Evangelische theologie.

Het geschiedenisbeeld van Oud-Israël dat door de radicale bijbelkritiek ontwikkeld was, zag er globaal als volgt uit. Het gaat om een evolutionistisch beeld beginnend met (a) een primitief aartsvadergeloof (met mondelinge tradities erover), gevolgd door (b) een wetgevende fase ten tijde van Mozes gekenmerkt door monotheïsme (één God en nog steeds met mondelinge tradities), daarna kwam (c) een profetische fase met een morele prediking (met beginnende schriftelijke documenten), ten slotte kwam er (d) een priesterlijke fase; alles werd in wetten door priesters schriftelijk vastgelegd, ook de oude verhalen en we zijn dan in de tijd van Ezra (ca. 450 v. Chr.). Het betekent dat ca. 450 de Torah werd geschreven en niet in ca. 1450 v. Chr.

Eigenlijk nog steeds radicaal-kritisch
Tijdgenoten en geestverwanten van Zimmerli waren M. Noth en H.W. Wolff. Zij waren de grondleggers van het toonaangevende Biblischer Kommentar Altes Testament. Met het woord 'Biblisch' sloten zij aan bij de aloude piëtistische Duitse theologie, maar hun standpunten waren gewoon radicaal-kritisch. Citaat Noth (Geschichte Israëls, p. 128): 'Dat spreekt ervoor dat Mozes met het Sinaïgebeuren historisch niets te doen heeft gehad. Hem als organisator en wetgever van Israël te noemen, is historisch nauwelijks houdbaar.' Noth ontkent eigenlijk dat er ooit een Mozes is geweest die iets van betekenis heeft gedaan voor Israël; nogal radicaal dus. Citaat Wolff (Kommentar Hosea, p. 294): 'Opnieuw is Hosea als één van de vaders van de vroegdeuteronomische stroming te herkennen.' Wolff betoogt dat het boek Deuteronomium (uit de woestijntijd, ca. 1450 v. Chr.) nog niet bestond ten tijde van Hosea (ca. 750 v. Chr.) en dat de profeet Hosea de aanzet heeft gegeven tot het ontstaan ervan. Nogal radicaal dus.

Was vóór W.O.II nog duidelijk wie radicaal-kritisch was en wie niet, na W.O.II is deze tegenstelling langzaam verdwenen. Er is een cultuur ontstaan die m.i. uniek is in de theologie en die nog steeds voortduurt: Met een christelijk klinkende boodschap en een voortdurend wetenschappelijk beroep op de tekst van het Oude Testament wordt er overgedragen dat er van de Heilige Boeken van jodendom en christendom geen bal klopt.

Hoe zou het toch komen ...?
Hoe zou het toch komen dat zoveel kerken in West-Europa gebouwen moeten afstoten?
Hoe zou het toch komen dat één op de zes predikanten in Nederland twijfelt aan het bestaan van God? (Ikon-onderzoek, 2006)
Hoe zou het toch komen dat kerken vergrijzen en jongeren er niet naar binnen zijn te krijgen?
Tja, hoe zou dat nu komen ...?

Volgens onderzoek gaat de leegloop voorbij aan de Reformatorische gezindte en de evangelische beweging. Maar ja, die hebben niet zo'n geavanceerde theologie, waarin men wetenschappelijk bewezen zou hebben dat van heel het Oude Testament niets klopt.

B.J.E. van Noort