|
|
Waren Davids zonen proesters?'... en de zonen van David waren priesters.' 2 Sam. 8:18 '... en de zonen van David waren de voornaamsten die de koning terzijde stonden.' 1 Kron. 18:17 Hoe zit het nu met die zonen van David? Hoe konden die nu priester zijn? David wist toch zeker wel dat in Israël alleen zonen van Aäron tot het priesterschap konden komen? Een tegenstrijdigheid? In de oudere commentaren maakte men niet zoveel problemen over deze teksten. Men nam aan dat met 'priesters' in 2 Sam hetzelfde was bedoeld als in 1 Kron: raadgevers van de koning. En zo hoort het boek Kronieken ook gebruikt te worden als aanvulling op Samuël/Koningen (en omgekeerd). Maar in de moderne commentaren komt men er niet uit. Een greep uit de verklaringen:
In deze latere commentaren gaat het nog steeds om 'orthodoxe' uitleggingen. Toch is in al deze verklaringen Gods Woord erg te kort gedaan. Want de consequenties zijn dat of David niet op de hoogte was dat zijn zonen geen priesters mochten zijn, of dat hij zijn zonen erebaantjes gaf waar ze niets voor hoefden te doen, of dat hij te laat inzag dat hij een fout gemaakt had door zijn zonen als priesters op te laten treden, of tenslotte dat de bijbel zichzelf gecorrigeerd zou hebben. Wordt er eigenlijk nog iets uitgelegd als Gods Openbaring er met dit soort verklaringen zo verknipt vanaf komt? De betekenis van het woord 'priester' lijkt in de bijbel geijkt te zijn door de talloze malen dat het betrekking heeft op de priesters (kohanim) die dienst doen in tabernakel en tempel door offers te brengen. Toch is het woord daartoe niet beperkt. Ook in de Baälsdienst zijn er priesters (kohanim, 2 Kon. 10:19). Belangrijker is dat het woord priester niet in eerste plaats verwijst naar iemand die offert, maar naar iemand die een heilige plaats bewaakt en in verbinding staat met God. Dat is een bredere betekenis dan: iemand die offert (of het recht heeft daartoe). Deze betekenis komen we bijvoorbeeld tegen in Richt. 17 en 18 waar het gaat om een 'huispriester' van een zekere Micha. Deze priester is wel Leviet, maar geen nakomeling van Aäron en er is hier ook geen sprake van enige offerdienst. De Septuaginta (Griekse vertaling van het oude testament, tweede eeuw v. Chr.) heeft als vertaling van 2 Sam: ... en de zonen van David waren 'aularchen' hoofden van het hof (de aula). We zouden zeggen: hofmeesters, paleisbeheerders. Het paleis van David was een plaats waar niemand zomaar mocht komen behalve misschien vertrouwelingen uit Davids zonen. Daar Davids paleis allerlei documenten (Psalmen enz.) en gewijde voorwerpen bevatte en David zijn taak geestelijk opvatte, schroomde de schrijver van 2 Sam niet om te spreken van de zonen van David als 'priesters' in de brede betekenis van het woord. Ongetwijfeld beoogde de profetische schrijver om aan te geven dat David uit zijn zonen mannen naast zich aanstelde die door een geestelijke instelling daarvoor geschikt waren. Wat offerden zij? Zichzelf. Deze bredere betekenis van het woord 'priesterschap' gebruikte later ook Petrus: '... laat ook uzelf als levende stenen gebruiken voor de bouw van een geestelijk huis om een heilige priesterschap te vormen tot het brengen van geestelijke offers...' (1 Petr. 2:5) De priesters van het nieuwe verbond zijn de gelovigen. Zij zijn medebeheerders in het Koninkrijk van God, waarin Jezus Christus eens en voor altijd het offer heeft gebracht. Daarom spreekt Petrus voor hen van 'geestelijke offers'. De gelovigen bieden zichzelf als levende stenen in Gods Koninkrijk. B.J.E. van Noort |
|