Teologia

Wie is de boosdoener?
God of de duivel?

'De toorn van de HERE ontbrandde weer tegen Israël; Hij zette David tegen hen op en zei: 'Ga, tel Israël en Juda.' (2 Sam. 24:1)

'Satan keerde zich tegen Israël en zette David aan Israël te tellen. (1 Kron. 21:1)

Als er één triomfantelijk gehanteerde tegenstrijdigheid in de Heilige Schrift is, dan is het wel het geval van Davids telling van het volk. Werd David door God aangezet of door de duivel? Wie zette David aan om het volk te tellen? God (2 Sam.) of de boze (1 Kron.)? Op het eerste gezicht hebben we hier te doen met een evidente tegenstrijdigheid.

Het is een bekend gegeven in het Oude en in het Nieuwe Testament dat verleiding door de boze tegelijk een beproeving van God kan zijn. Zo wordt Jezus door de Geest naar de woestijn geleid om verzocht te worden door de boze. De bijbelse gedachte hierachter is dat God nooit iets zal vragen van de gelovige wat hij/zij niet aankan en dat de macht van de boze nooit groter is dan Gods barmhartige bijstand. Maar in het geval van de volkstelling door David lijken zowel God als de boze David aan te zetten tot zonde. En Jacobus zegt duidelijk: 'Hijzelf (God) brengt niemand in verzoeking.' Hoe zit dat allemaal?

Davids zondig verlangen om het volk te tellen schijnt zijn oorsprong te vinden in een verwijdering tussen God en het volk. Waarschijnlijk waren de mensen door Davids overwinningen in een overwinningsroes gekomen: 'Kijk eens hoe sterk wij zijn!' En David ging mee in die roes en dus moest de menselijke kracht in meetbare getallen op papier komen. Kortom, het volk moest geteld worden. Daarom zegt 1 Kronieken dat Satan de inspirator van dit plan was. Was het zo erg? Mozes had toch ook het volk geteld in de woestijn? Jazeker, maar zeker niet om daarmee de sterkte van het leger vast te stellen.

Er gebeuren drie verschillende dingen en in elk wordt er een specifiek geestelijk aspect van de hele gebeurtenis aangeduid door de profetiche schrijver(s):

  • Satan keert zich tegen Israël (1 Kron.). Dat is niet zo vreemd, maar hij heeft nu een middel gevonden in David.
  • Satan zet David aan om te tellen (1 Kron.). De boze weet blijkbaar dat Gods straf daarover niet kan uitblijven.
  • God zet David tegen het volk op (2 Sam.). In Gods ogen begon het kwaad in het oppervlakkig enthousiasme van het volk en als David meegaat daarin, zal zoals de zegen door David was gekomen, nu het ongeluk via David over de mensen komen. Gods rechtsprekende macht wordt zicht baar in de verdwazing van de mens die Hem als vader en vriend verlaat. Dat overkwam ook David.
  • Heeft God nu David geïnspireerd om te gaan tellen (2 Sam.)? Nee. Mijn inziens moet de vertaling van 2 Sam. zijn: 'Hij zette David tegen hen op, toen hij zei: 'Ga, tel Israël en Juda.' Meestal wordt de constructie 'toen hij zei' verbonden met het onderwerp van de zin; met God (Hij). Dan zou God de verleiding in Davids geest gegeven hebben met de woorden: 'Ga, tel Israël en Juda.' Toch is deze verbinding in het Hebreeuws niet noodzakelijk, er moet altijd naar de context gekeken worden voor de juiste verbindingen in het Hebreeuws. Daarom moet de term 'toen hij zei' met David verbonden worden in plaats van met God. Dan staat er dat David zei: 'Ga, tel Israël en Juda.' Immers de context maakt duidelijk dat dit het verlangen van David was en dat dit ook zeker zijn woorden zijn geweest.

    Een voorbeeld dat de term 'toen hij/zij zei' niet altijd verbonden is met het onderwerp van de zin, is te vinden in Gen. 24:30 ... zodra hij de woorden van zijn zuster Rebekka gehoord had, toen zij zei (niet: toen hij zei): 'Zo heeft die man met mij gesproken.'

    Een voorzichtige conclusie is dat oude middeleeuwse vertaalwijzen die allang achterhaald (hadden moeten) zijn, nog vaak de geesten beheersen met het schadelijk gevolg dat het eenvoudig christelijk geloof als achterlijk bestempeld wordt, terwijl dat werkelijk nergens voor nodig is.

    B.J.E. van Noort