|
|
Wil de echte Asaf nu opstaan?
'Een psalm van Asaf. Er zijn ten minste twee psalmen (74 en 79) die in de bijbel op naam staan van Asaf, maar die door geen uitlegger worden toegeschreven aan de Asaf die wij in de bijbel kennen als tijdgenoot van David. Hij was de leider van de zangers die door David aangesteld waren om voortdurend de Heer te loven in Jeruzalem nadat daar de ark was gekomen in een tent die speciaal daarvoor was neergezet. (1 Kron. 16:1-6) Op de heuvel Gibeon bevond zich een andere tent, de tabernakel die door Mozes was gebouwd. Daar was ook het brandofferaltaar en daarop werden de dagelijkse offers aan de Heer opgedragen in Davids tijd. (1 Kron. 16:39-40) Hoe is het mogelijk dat deze liederen van Asaf uit de bewogen periode van Davids koningschap omgeven zijn met een waas van vaagheid en onduidelijkheid? In beide psalmen wordt er gesproken over de verwoesting van de stad Jeruzalem en vaak in één adem gaat het daarbij over de verwoesting van Gods heiligdom. Bij de geschiedenis van Israël denkt men dan direct aan de verwoesting van de Jeruzalemse tempel door Nebukadnesar in 586 v. Chr, ruim vier eeuwen later dan David. Alle uitleggers gaan er vanuit dat deze psalmen geschreven zijn na de Babylonische ballingschap (na 586 v. Chr.). Voor hen die vasthouden aan de bijbelse berichtgeving, gaat het om (a) psalmen die in later tijd zijn gemaakt door een onbekende Asaf of (b) psalmen die in later tijd gemaakt, werden opgedragen aan de nagedachtenis van de vermaarde zanger Asaf. Natuurlijk bleef het niet bij Asaf. Van al de namen die boven de psalmen staan, heeft men wel ontkend dat ze van de genoemde dichters waren. Als 'Van Asaf' niet verwijst naar het auteurschap van de bekende Asaf, zullen opschriften als 'Van David', 'Van Salomo', 'Van Heman', 'Van Ethan' en zelfs 'Van Mozes' ook niet noodzakelijk naar die bijbelse personen verwijzen. Weliswaar blijft de geestelijke en morele kracht van deze liederen even sprekend ook als de naam van de schrijver buiten beschouwing blijft. Maar dat neemt niet weg dat zodra we vanuit deze filosofie kijken naar het hele boek van de Psalmen, we het gevoel krijgen met een chaotische verzameling liederen te doen te hebben. Dichtte Asaf niet Psalm 74 en 79 en al die andere prachtige liederen die op zijn naam staan? Natuurlijk wel. Om onbekende reden staat men er nooit bij stil dat Asaf herhaaldelijk verwees naar het heiligdom in Silo dat toen in puin lag. Daar had de tabernakel gestaan, maar die plaats was verwoest door de Filistijnen. Het heiligdom heette in de richtertijd 'huis des HEREN' en 'tempel des HEREN' (1 Sam. 1:7, 9). Ongetwijfeld was er een stenen bouwwerk geweest waarbinnen de tabernakel had gestaan; mogelijk was de tabernakel geheel of gedeeltelijk overdekt geweest. De profeet Jeremia noemde later nog de puinhoop van Silo als voorbeeld hoe het zou gaan als men God verliet. (Jer. 7:12,14) Asaf noemde zelf in één van zijn liederen de val van Silo. 'Hij gaf de tent van Silo prijs, de tent die Hij onder de mensen had opgeslagen...' (Psalm 78:60) Het is logisch dat Asaf in andere liederen ook hiernaar verwees. Jeruzalem (Sion) en Silo hadden beide een hoofdrol gehad in het publieke en politieke leven in de richtertijd. Jeruzalem had het leiderschap gehad in de oorlog tegen Jozua (Joz. 10:3) en bleef daarna door haar centrale ligging dominerend. Asaf kon daarom in één adem spreken over de val van Jeruzalem en de val van Gods heiligdom, waarmee hij Silo bedoelde. De Filistijnen hadden zich meester gemaakt van Silo en de Jebusieten van Jeruzalem. Gebedsplaatsen waren overal in het land in vlammen opgegaan. (Psalm 74:8) Pas toen David Sion heroverd had op de Jebusieten, gloorde er nieuwe hoop voor het volk van Israël. Van die hoop heeft Asaf onvermoeibaar getuigenis afgelegd in al zijn liederen. B.J.E. van Noort |
|